Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Breedstaartkolibrie

Breedstaartkolibrie | Selasphorus platycercus

Broad-tailed Hummingbird | Colibrí coliancho

De breedstaartkolibrie is de kolibrie van de hooggelegen bergweiden van het Amerikaanse Westen, tot boven de drieduizend meter waar de nachten ook in juli vriezen. Je hoort hem eerder dan je hem ziet: de vleugels van het mannetje maken een schel metaalachtig gesjirp dat over een hele weide draagt.

Breedstaartkolibrie (Selasphorus platycercus)
Hoofdfoto · Foto: DickDaniels — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De stem bestaat uit droge tsjip-jes en een ratelend gekwetter bij het foerageren en bij ruzies om nectar. Het typische geluid komt niet uit de keel maar uit de vleugel: de versmalde buitenste slagpennen van het mannetje wekken in de vlucht een aanhoudende metalen triller op, alsof een krekel rondvliegt. Het geluid stopt zodra hij gaat zitten, en het verdwijnt in de loop van de winter omdat de betreffende veren afslijten; voor het nieuwe broedseizoen zijn ze weer aangegroeid. In de baltsduik zwelt dezelfde triller aan tot een schril gegier.

Luister: VluchtroepXC777791

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Lyons, Boulder County, Colorado, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is glanzend groen op rug en kruin, wit op de borst, met groenbruine flanken en een keelvlek in rozerood tot magenta. Die keelvlek is een interferentiekleur uit de veerstructuur en geen pigment: in het verkeerde licht lijkt de keel eenvoudig zwart. Vrouwtje en jonge vogel zijn groen boven en wit tot beigebruin onder, met groene spikkels op keel en wangen, een lichte oogring en roestbruin aan de staartbasis met witte punten aan de buitenste staartpennen. Bij de jonge mannetjes komen in de loop van het eerste jaar enkele magenta veren in de keel. De bouw is slank met een grote kop en een lange rechte snavel, en de staart steekt duidelijk voorbij de vleugelpunten.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en juvenielen zijn het struikelblok. De vrouwtjes van de rosse kolibrie en van Allens kolibrie hebben veel meer roest op de flanken en een kortere staart. De kalliopekolibrie is kleiner en kortstaartig: haar staart reikt niet tot de vleugelpunten, bij de breedstaartkolibrie steekt hij er juist voorbij. Bij mannetjes is de vleugeltriller beslissend — geen enkele andere Noord-Amerikaanse kolibrie maakt dat geluid. Verwar de soort niet met de breedsnavelkolibrie: dat is een groene kolibrie met blauwe keel en rode snavel uit lage canyons, geen bergvogel.

Leefgebied

Subalpiene weiden, open naaldbos en dennen-eikenbos, pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesland, bergstruweel en wilgenzomen langs beken, tussen ongeveer vijftienhonderd en drieduizend meter. Hij zoekt open, bloemrijke plekken met uitzicht: bosranden, kapvlakten, hellingen met ridderspoor, akelei en scharlaken gilia. Laagland en woestijn worden gemeden, behalve als doorgangsgebied. In Mexico overwintert hij in dennen-eikenbos en tropisch bos op tweeduizend tot drieduizend meter.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt in de bergen van het binnenland van het Westen, van Idaho en Wyoming zuidwaarts over Nevada, Utah en Colorado tot Arizona, New Mexico en de bergen van West-Texas, plus de Sierra Madre Occidental in noordelijk Mexico. De Amerikaanse populatie verlaat het land in de winter volledig; in de Mexicaanse hooglanden en in Guatemala zit de soort het hele jaar. In het voorjaar volgt de trek de bloei bergopwaarts, wat betekent dat een vogel van drieënhalve gram jaarlijks duizenden kilometers over bergketens aflegt. Het broedareaal zelf is in de laatste eeuw weinig veranderd; de timing van de trek wel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in juli naar een bergweide boven de tweeduizend meter en luister: het gesjirp van een langsvliegend mannetje is op honderd meter te horen en verraadt hem voordat er iets te zien is. Sta bij een bloemrijke helling stil en laat hem naar je toe komen; hij inspecteert alles wat rood is. Vroeg in de ochtend zitten vogels nog in torpor (toestand van verlaagd metabolisme, een soort nachtelijke winterslaap) en bewegen minuten lang niet — geen zieke vogel, maar een slaapstand.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op 9,8 miljoen vogels, met een afname van ruim een procent per jaar en ongeveer vijfenveertig procent tussen 1966 en 2019; de soort staat op de gele aandachtslijst. Doordat de sneeuw in de bergen eerder smelt, vallen de aankomst en de piek van de bloei minder goed samen dan vroeger. Verder eisen strenge winters in het overwinteringsgebied en aanvaringen met ruiten, auto's en schrikdraad hun tol.

Wetenschappelijke naam

Selasphorus platycercus | (Swainson, 1827)

Swainson beschreef de soort in 1827 als Trochilus platycercus; doordat ze later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. platycercus is Grieks voor 'breedstaartig', van platys 'breed' en kerkos 'staart'. Het geslacht Selasphorus betekent 'vlamdrager', naar de oplichtende keel van de mannetjes. Bij de beschrijving werd geen vindplaats vermeld; de typelocatie is later eenvoudig als Mexico vastgelegd.