Alle soortenGierzwaluwachtigenKolibries › Allens kolibrie

Allens kolibrie | Selasphorus sasin

Allen's Hummingbird | Colibrí de Allen

Allens kolibrie broedt in een smalle strook langs de Pacifische kust, van zuidwest Oregon tot in Zuid-Californië, en nergens anders ter wereld. Hij is een van de vroegste trekvogels van het continent: mannetjes verlaten hun Mexicaanse winterkwartier al in december en zingen in januari alweer boven de bloeiende kustheuvels.

Allens kolibrie (Selasphorus sasin)
Hoofdfoto · Foto: Channel City Camera Club — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De stem zelf stelt weinig voor: een scherp tik tijdens het foerageren, en vanaf een vaste tak een kort drieledig tinkelend gezoem als een andere kolibrie zijn territorium binnenkomt. Veel luider is wat het mannetje met zijn veren maakt. Bij lage territoriumvluchten zoemen de buitenste slagpennen als een hommel, en tijdens de pendeldans stottert er een reeks vleugelstoten doorheen. Onderaan de duikvlucht, uit tientallen meters hoogte, laten de staartpennen ongeveer een seconde lang een hoog wegstervend gepiep horen — geen stem, maar lucht langs veren.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje heeft een bronsgroene rug en kruin, een koperrode stuit, staart en flanken, en een keelvlek in diep oranjerood. Die keelvlek is geen pigment maar een interferentiekleur uit de veerstructuur: hij licht alleen op als het licht over de schouder van de kijker invalt en lijkt vanuit elke andere hoek dofzwart. Vrouwtje en jonge vogel zijn bronsgroen boven, met koperkleurige flanken en een gespikkelde keel; bij het vrouwtje staat er vaak een klein oranjerood vlekje midden in. De snavel is recht en ongeveer zo lang als de kop, de staart steekt voorbij de vleugelpunten en de buitenste staartpen is smaller dan de rest. Met zo'n drieënhalve gram is dit een van de kleinste broedvogels van Noord-Amerika.

Verwarrings­soorten

Het grote probleem is de rosse kolibrie (Selasphorus rufus). Het volwassen mannetje daarvan heeft meestal een geheel rosse rug, maar een deel heeft groen op de rug, en dan is alleen de vorm en breedte van de staartpennen nog een zeker kenmerk — in het veld praktisch onbruikbaar. Vrouwtjes en juvenielen van beide soorten zijn in het veld niet uit elkaar te houden; buiten de smalle kustzone en buiten het broedseizoen is plaats en datum het enige houvast. De veel algemenere Anna's kolibrie is groter en zwaarder, mist alle ros, en heeft bij het mannetje een rozerode kruin én keel.

Leefgebied

Kustheide, chaparral, struweel langs kliffen en ravijnen, bosranden en de tuinen en parken van kustplaatsen, van zeeniveau tot ongeveer driehonderd meter. Mannetjes bezetten de open, bloemrijke hellingen; vrouwtjes nestelen in de dichte struik en in bomen erachter, waaronder eucalyptus, sequoia en douglasspar. Het binnenland met zijn droge dalen en hoge bergen wordt gemeden; de soort blijft binnen het bereik van de kustmist. In het Mexicaanse winterkwartier zit hij in eiken-dennenbos, bosranden en struikrijke open plekken met veel bloemen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied is een lint van hooguit vijftig kilometer breed, van de kust van zuidwest Oregon zuidwaarts tot de omgeving van Los Angeles. De trekkende vogels overwinteren in het binnenland van centraal en zuidelijk Mexico; de heenreis begint al in december, de terugkeer valt in juli en augustus. Op de Kanaaleilanden en het schiereiland Palos Verdes leeft een niet-trekkende vorm, die sinds het midden van de twintigste eeuw het stedelijk gebied van Zuid-Californië heeft ingenomen en daar in aantal is toegenomen. Voor de trekkers geldt dat een vogel van drieënhalve gram jaarlijks enkele duizenden kilometers aflegt.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem eind januari en in februari op een kustheuvel waar wilde ribes en maskerbloem in bloei staan: dan is hij terug en zijn de meeste andere kolibries nog weg. Ga onder een zingende tak staan en wacht op de duik — het wegstervende gepiep onderaan is het enige geluid waarmee je hem met zekerheid van de rosse kolibrie scheidt. Let bij een zittende vogel op de buitenste staartpen, die opvallend smal is.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op anderhalf miljoen vogels, maar de Breeding Bird Survey wijst op een afname van ongeveer 2,6 procent per jaar tussen 1968 en 2023, samen zevenenzeventig procent. De soort staat daarom in het State of the Birds-rapport van 2025 als soort met rood alarm. Verlies van kustvegetatie aan bebouwing is de belangrijkste oorzaak; anders dan sommige andere kolibries past hij zich slecht aan de stad aan, al vangen voederflessen en uitheemse bloemdragende bomen een deel op. De standvogelpopulatie in stedelijk Zuid-Californië gaat juist vooruit.

Wetenschappelijke naam

Selasphorus sasin | (Lesson, 1829)

Lesson beschreef de soort in 1829 als Ornismya Sasin; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Selasphorus is Grieks voor 'vlamdrager', naar de gloeiende keel van de mannetjes. Het soortdeel sasin is geen Latijn maar een inheemse naam voor een kolibrie, die Lesson overnam. Als typelocatie staat opgegeven: Nootka Sound, in de omgeving van Monterey en San Francisco, Californië, later vastgelegd op San Francisco. De Engelse naam eert Charles Andrew Allen, die de vogels in Californië verzamelde.