Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Rosse kolibrie
Rosse kolibrie | Selasphorus rufus
Rufous Hummingbird | Zumbador rufo
De rosse kolibrie is roestrood in plaats van groen, en van alle kolibries legt hij de langste weg af: van Zuidoost-Alaska tot de bergen van Zuid-Mexico, ruim vierduizend kilometer, met een lichaam van drieënhalve gram. Het mannetje draagt een keelvlek die van goudoranje naar vuurrood omslaat zodra het licht er goed op valt. Aan een voederflesje verjaagt hij elke andere kolibrie, ook soorten die twee keer zo zwaar zijn.
Geluid
Een zang in de gewone zin heeft hij niet. De vleugels van het mannetje maken in de vlucht een hoog, snerpend zoemen, dat aan het laagste punt van de baltsduik eindigt in een droge knal. De roep is een hard tsjip, dat bij achtervolgingen versnelt tot een ratelend tsjip-tsjip-tsjip met een geknepen zie-tsjapitie-tsjap ertussendoor. Op een voederplaats hoor je eerder het gevecht dan de vogel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje is van boven en op de flanken roestrood, met een witte borstband en een keelvlek die van goudoranje tot scharlaken opvlamt; een deel van de mannetjes heeft een groene rug, wat in het veld twijfel geeft. Het vrouwtje is groen van boven, met roestrode flanken, een roestrode staartbasis en witte staartpunten, en meestal een paar rode veertjes midden op de keel. De jonge vogel lijkt op het vrouwtje maar heeft nog geen rood op de keel. De snavel is recht, zwart en vrij kort; de vogel is gedrongen en kortstaartig, met vleugelpunten die in rust bijna tot het staarteinde reiken. In de hangvlucht houdt hij de staart stil of spreidt hij hem kort, zonder te pompen.
Verwarringssoorten
De robijnkeelkolibrie van het oosten is van boven groen en heeft geen roestrood op flanken of staart; alleen de vrouwtjes en jonge vogels van de twee lijken op elkaar, en dan geeft de roestrode staartbasis van deze soort de doorslag. De allenkolibrie (Selasphorus sasin) van de Californische kust is als vrouwtje of jonge vogel nauwelijks te scheiden; het mannetje heeft altijd een groene rug, en het overige verschil zit in de breedte van de buitenste staartpennen, wat in het veld zelden te zien is. De breedstaartkolibrie (Selasphorus platycercus) van de Rocky Mountains is groter en groen van rug, met een rozerode keel en een vleugelgeluid als een rinkelende bel. Aan een voederflesje in de zuidoostelijke staten is in de winter vrijwel elke kolibrie een rosse kolibrie.
Leefgebied
Broedt in het naaldbos van de westkust en de bergen, maar niet in de gesloten opstanden zelf: hij zoekt randen, kapvlakten, jonge aanplant, struweel en oeverbosjes waar bloemen in de zon staan. Op de najaarstrek volgt hij de bloei omhoog, door alpiene en subalpiene weiden tot boven de boomgrens. In de winter zit hij in Mexico in dennen-eikenbos vanaf tweeduizend meter, en in de zuidoostelijke staten in tuinen met een voederflesje en late bloei. Wat hij nodig heeft is nectar binnen een klein, verdedigbaar stuk grond, waar dan ook.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Zuidoost- en Zuid-Alaska door Yukon, British Columbia en westelijk Alberta tot Washington, Oregon, Idaho, westelijk Montana en het uiterste noordwesten van Californië — verder naar het noorden dan welke kolibrie ter wereld ook. De trek verloopt in een lus: in het voorjaar langs de Pacifische kust omhoog, in de nazomer zuidwaarts door de Rocky Mountains en de Sierra Madre. De winter brengt hij door in de hooglanden van Midden- en Zuid-Mexico, van Jalisco tot Oaxaca. Sinds de jaren zeventig overwinteren er elk jaar meer langs de Golfkust en in het zuidoosten van de Verenigde Staten, waar hij vroeger niet werd verwacht; tegelijk zijn de broedaantallen in het noordwesten met ongeveer twee procent per jaar gedaald.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli en augustus in een bergweide met rode bloemen, tussen tweeduizend en drieduizend meter: dan trekt hij zuidwaarts en staan de weiden in bloei. Ga bij een bloemplek staan en wacht — hij houdt een vaste uitkijktak boven zijn stukje en keert daar telkens op terug. Woon je in de zuidoostelijke staten, laat het voederflesje dan in november en december hangen; de kolibrie die er dan op afkomt is bijna nooit de soort van de zomer.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat hij als gevoelig. De aantallen dalen al decennia, en de wintertellingen en de broedvogeltellingen wijzen dezelfde kant op: samen komt het neer op een halvering sinds 1970. De oorzaken liggen verspreid over een lange route — verlies van struweel en jonge aanplant in het broedgebied, verschuiving van het bloeitijdstip ten opzichte van zijn aankomst, en bosverlies in de Mexicaanse hooglanden.
Wetenschappelijke naam
Selasphorus rufus | (Gmelin, 1788)
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1788 als Trochilus rufus, in het geslacht waarin toen alle kolibries stonden; omdat ze later is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hij steunde op een beschrijving van Latham van een vogel die op de derde reis van Cook was verzameld in Nootka Sound op Vancouver Island — de typelocatie. Het geslacht Selasphorus voerde Swainson in 1832 in, uit het Griekse selas, 'vlam' of 'glans', en -phoros, 'dragend'. rufus is Latijn voor 'roodbruin', naar de kleur van rug en flanken.




