Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Donsspecht

Donsspecht | Dryobates pubescens

Downy Woodpecker | Pico pubescente

De donsspecht is de kleinste specht van Noord-Amerika, nauwelijks groter dan een mus, en de specht die de meeste mensen als eerste leren kennen. Zwart-wit met een witte rugstreep en een kort snaveltje, komt hij van Alaska tot Florida voor in bos, parken en tuinen, en is hij een vaste gast op voederplaatsen met talg of pinda's. Het mannetje draagt een rode vlek in de nek; het vrouwtje mist die. Hij lijkt als twee druppels water op de veel grotere haarspecht, maar is daar niet nauw aan verwant.

Donsspecht (Dryobates pubescens)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, zacht, vlak pik, lager en minder scherp dan het piek van de haarspecht. Het meest kenmerkende geluid is een snelle, hoge, in toon dalende ratel, een hinnikend kie-kie-kie-kie-kie dat aan het eind vertraagt, als een stuiterende bal. De roffel is vrij kort en gelijkmatig en duidelijk trager dan die van de haarspecht. Beide seksen trommelen, vooral van eind winter tot in het voorjaar.

Luister: RoepXC1165447

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine zwart-witte specht met een witte baan midden over de zwarte rug, zwarte vleugels met rijen witte vlekken, een zwart-wit gestreepte kop en een effen witte onderzijde. De buitenste staartveren zijn wit met enkele zwarte vlekjes of bandjes. De snavel is kort, duidelijk korter dan de kop, en het veertjesplukje aan de snavelbasis is relatief groot. Het mannetje heeft een kleine rode nekvlek; jonge vogels tonen vaak rood op de kruin. Vogels uit het noordwesten aan de Pacifische kust hebben een grauwere, bruingrijze onderzijde, en die in de Rocky Mountains minder witte vlekken op de vleugels.

Verwarrings­soorten

De haarspecht is het echte probleem: vrijwel hetzelfde verenkleed, maar een derde groter, met een snavel zo lang als de kop en effen witte buitenste staartveren zonder zwarte vlekken. Verhoudingen zeggen meer dan grootte: bij de donsspecht lijkt de kop groot en het snaveltje nietig, bij de haarspecht is de snavel een fors werktuig. Ook het geluid helpt: het scherpe piek en de gelijkblijvende ratel van de haarspecht tegenover het zachte pik en de dalende ratel van de donsspecht. In Californië lijkt Nuttalls specht op hem, maar die heeft een zwart-wit gebandeerde rug zonder witte baan; de ladderspecht in het zuidwesten heeft eveneens zo'n gebandeerde rug.

Leefgebied

Open loofbos en gemengd bos, vooral langs rivieren, en verder bosranden, boomgaarden, parken, begraafplaatsen en tuinen, van laagland tot in bergbossen. Hij foerageert ook op dunne twijgen en zelfs op stengels van kruiden en riet, waar een groter spechtje niet op kan; in de winter pikt hij larven uit gallen van guldenroede. Mannetjes zoeken vaker op dunne takken, vrouwtjes op stammen en dikkere takken. De nestholte hakt hij in een dode stam of tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van centraal Alaska en het beboste deel van Canada tot Newfoundland, zuidwaarts door vrijwel de hele Verenigde Staten tot Florida, Texas en Californië. Hij ontbreekt in de woestijnen van het zuidwesten, op de boomloze vlakten van de Great Plains en op de toendra; Mexico bereikt hij niet. In de winter trekken sommige noordelijke vogels iets zuidwaarts of naar lager gelegen gebieden. Er worden zeven ondersoorten onderscheiden, die vooral verschillen in grootte, de hoeveelheid wit in de vleugels en de tint van de onderzijde.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De donsspecht is de specht om mee te beginnen: hang in de winter een blokje talg op en hij komt vrijwel zeker. Let in het bos op gemengde groepjes van mezen en boomklevers, zoals de Amerikaanse matkop en de witborstboomklever: een donsspecht trekt er vaak in mee. Om hem van de haarspecht te scheiden, kijk je eerst naar de verhouding tussen snavel en kop en pas daarna naar de grootte, die op afstand bedrieglijk is.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de wereldwijde broedpopulatie op ongeveer 13 miljoen vogels, en volgens de Breeding Bird Survey waren de aantallen tussen 1966 en 2015 stabiel. Hij profiteert van tuinen met voer en van staande dode bomen, en schuwt de nabijheid van mensen niet. Als eter van onder meer de larven van de Europese maïsboorder, die hij 's winters uit maïsstengels haalt, is hij een nuttige bondgenoot van boeren.

Wetenschappelijke naam

Dryobates pubescens | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Picus pubescens, op basis van de beschrijving en afbeelding die Mark Catesby rond 1730 uit Carolina had gepubliceerd; de typelocatie is South Carolina. Na moleculair onderzoek uit 2015 werd de soort overgebracht naar het herleefde geslacht Dryobates, waardoor auteur en jaartal tussen haakjes staan. Dryobates, in 1826 ingevoerd door Boie met deze soort als typesoort, komt van het Griekse drus 'boom, eik' en batēs 'loper'. pubescens is Latijn voor 'donzig', naar de zachte, donsachtige veren van de rug.