Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Dwergalk
Dwergalk | Aethia pusilla
Least Auklet | Mérgulo mínimo
De dwergalk is de kleinste alk ter wereld, niet groter dan een mus, en tegelijk de talrijkste zeevogel van Noord-Amerika. Op enkele puinhellingen in de Beringzee broeden er honderdduizenden tot een miljoen bij elkaar, en wie daar in juni naar de stenen kijkt, ziet de helling bewegen.
Geluid
Bij de kolonie een onafgebroken gekwetter van duizenden vogels tegelijk, dat op afstand als geruis over het water komt. Van dichtbij zijn er drie geluiden uit te halen: een snel ratelend tsjer-tsj-tsj, een kort helder tsjip en een zoemend tsjirr, dat de vogel met wiegende kop uitstoot. Mannetjes lopen daarbij in kringetjes om een vrouwtje heen en kwetteren onophoudelijk door. Op zee zwijgt hij vrijwel volledig.
Opname: Steve Hampton — CC BY-NC-SA 4.0 · Gambell, Nome, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Musgroot en kortstaartig, met donkere bovendelen en een wit oog. In broedkleed staan witte borstelveertjes op voorhoofd en teugel, loopt er een witte pluim vanaf het oog naar achteren, en is de snavel donkerrood met een zwart hoornknobbeltje op de basis. De onderdelen zijn dan sterk wisselend: van bijna geheel wit tot dicht grijsbruin gespikkeld, soms binnen één kolonie allebei. In winterkleed zijn de onderdelen zuiver wit, is de snavel zwart en zijn knobbel en pluimen verdwenen. Jonge vogels lijken op winterkleed maar missen ook de oorpluim. In de vlucht: een snorrende, snelle vleugelslag en dichte zwermen die laag over de golven scheren.
Verwarringssoorten
De geoorde dwergalk (Aethia pygmaea) is groter, heeft een donkere buik, drie witte gezichtspluimen en een dunne kuif. De kuifalk (Aethia cristatella) is ruim driemaal zo zwaar en van onder tot boven leikleurig. Cassins alk (Ptychoramphus aleuticus) is groter en grauwbruin, zonder witte koptekening en met een lichte vlek aan de snavelbasis. De kleine alk (Alle alle) lijkt sterk op hem maar leeft in de Atlantische Oceaan; hun arealen raken elkaar niet.
Leefgebied
Broedt op puinhellingen, blokvelden, lavastromen en rotsstranden van afgelegen eilanden, waar het ene ei diep in een spleet op de kale steen wordt gelegd. Buiten de broedtijd leeft hij op open zee, vaak vlak bij de rand van het pakijs en boven fronten waar stroming het plankton samendrijft. Begroeide, zandige of door landroofdieren bereikbare kusten mijdt hij volledig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van oostelijk Tsjoekotka en Kamtsjatka over de Commandeurs- en Koerileneilanden tot in de Beringzee en de Aleoeten; in Noord-Amerika liggen de grootste kolonies op Sint-Laurenseiland, Little Diomede, de Pribilofeilanden en Aleoeteneilanden als Buldir en Kiska. In de winter blijft een groot deel in ijsvrij water van de Beringzee en de Golf van Alaska, terwijl de noordelijkste vogels voor het oprukkende ijs naar het zuiden wijken. Verder langs de Pacifische kust is hij een dwaalgast: voor Brits-Columbia en Washington bestaan slechts enkele aanvaarde waarnemingen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in juni of juli op St. Paul of St. George bij een puinhelling zitten en wacht een half uur: midden op de dag zitten er duizenden vogels tussen de stenen en gaan ze in wolken tegelijk de lucht in. Op zee herken je hem eerder aan de zwerm dan aan de vogel — kleine donkere alkjes, snel en dicht opeen, in aantallen die geen andere soort haalt.
Staat van instandhouding
Alleen al in Noord-Amerika worden ongeveer negen miljoen vogels geschat, waarmee dit de talrijkste zeevogel van het werelddeel is; de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. Toch is ze kwetsbaar, omdat bijna alles op enkele tientallen eilanden zit: waar poolvossen of ratten zijn uitgezet, verdwijnen de kolonies binnen enkele jaren. Het weghalen van die dieren van de Aleoeten is de belangrijkste maatregel; daarnaast eisen olie op zee en verdrinking in netten hun deel.
Wetenschappelijke naam
Aethia pusilla | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Uria pusilla, bij de zeekoeten; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aethia werd in 1788 ingevoerd door Merrem, naar aithuia, de naam van een zeevogel bij de klassieke Griekse schrijvers. pusilla is Latijn voor 'heel klein' en is hier letterlijk bedoeld: geen alk is kleiner. De typelocatie is Kamtsjatka.



