Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Geoorde dwergalk
Geoorde dwergalk | Aethia pygmaea
Whiskered Auklet | Mérgulo bigotudo
Een kleine donkere alk met drie dunne witte pluimen op elke wang en een lange kuif die naar voren over de snavel krult. Hij leeft in de kolkende getijdenstromen tussen de Aleoeteneilanden, komt alleen in het donker aan land, en is de enige alk die het hele jaar door op zijn kolonie slaapt.
Geluid
's Nachts bij de kolonie een reeks korte dalende tonen, gevolgd door een nasaal kirree en een muzikaal slot; kort voor zonsopgang loopt dat uit op een lange, oplopende triller die het hele blokveld vult. Als contactroep een droog kik, en bij het aanvliegen een klaaglijk, kattenachtig mjauw — het geluid waaraan de soort in het donker het snelst te herkennen is. Op zee laat hij zich zelden horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Bovendelen en borst zwartbruin, buik en onderstaart lichtgrijs. De kop is donker met drie dunne witte pluimen op elke zijde — één boven het oog, één eronder en één erachter — en een lange, naar voren gebogen zwarte kuif tot over de snavel. De snavel zelf is kort, dik en rood met een lichte punt; het oog is wit. In winterkleed zijn kuif en pluimen korter en is de snavel doffer. Jonge vogels missen de kuif geheel en hebben een vaalgele snavel met donkere punt. Ook deze soort ruikt naar mandarijn, al is de geur zwakker dan bij de kuifalk.
Verwarringssoorten
De kuifalk (Aethia cristatella) is duidelijk groter en zwaarder, heeft maar één witte pluim achter het oog, een vollere kuif en een dikke oranje snavel met losse hoornplaatjes. De dwergalk (Aethia pusilla) is nog niet de helft zo zwaar, heeft geen kuif en in de winter een geheel witte buik. Cassins alk (Ptychoramphus aleuticus) mist alle koptooi en heeft een donkere snavel met een lichte vlek aan de basis. Op afstand helpt het gedrag: de geoorde dwergalk blijft laag en wendbaar in de branding van de zeegaten, de kuifalk vliegt in rechte lijnen naar open zee.
Leefgebied
Broedt in spleten van puinhellingen, blokstranden en lavavelden op kleine eilanden zonder landroofdieren. Voedsel zoekt hij dicht bij huis: in de woelige getijdenstromen tussen de eilanden, meestal binnen tien kilometer van de kolonie en boven water van hoogstens honderd meter diep. De open oceaan mijdt hij, en hij verlaat de eilandengroep het hele jaar niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Beperkt tot de Aleoeten en tot eilanden voor Oost-Siberië — de Commandeurs- en Koerileneilanden en de Zee van Ochotsk. In Noord-Amerika komt hij daarmee alleen in de Aleoetenketen van Alaska voor; buiten die keten is elke waarneming uitzonderlijk, ook voor Brits-Columbia. Hij trekt niet: ook in de winter blijft hij in het water rond de broedeilanden. Binnen de keten is zijn verspreiding in de twintigste eeuw wel sterk veranderd — uitgezette poolvossen maakten tientallen eilanden onbewoonbaar, en sinds die worden verwijderd komt hij daar geleidelijk op terug.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk niet naar het land maar naar het water: vanaf een boot in een van de zeegaten tussen de Aleoeteneilanden, waar de stroom kolkt en de schuimlijnen staan, drijven ze in groepjes van enkele tientallen. Ga bij kalm weer en rond de kentering van het tij, en let op de kop — de drie witte streepjes op donker zijn ook op honderd meter afstand nog te zien.
Staat van instandhouding
In de Aleoeten werd de stand in 2003 op minstens 116.000 vogels geschat, tegen ongeveer 25.000 begin jaren zeventig. Dat verschil komt vrijwel geheel op rekening van het weghalen van poolvossen, die vanaf 1750 voor de bontteelt op tientallen eilanden waren uitgezet en die vanaf 1949 stelselmatig zijn verwijderd. Ratten, olielozingen en het licht van vissersschepen — waar de nachtvliegende vogels op afkomen en tegenaan vliegen — blijven de voornaamste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Aethia pygmaea | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Alca pygmaea, bij de alken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aethia werd in 1788 ingevoerd door Merrem, naar aithuia, de naam van een zeevogel bij de klassieke Griekse schrijvers. pygmaea komt van het Latijnse pygmaeus, 'dwerg': na de dwergalk is dit de kleinste alk. Als typelocatie geeft Gmelin 'eilanden in de Beringzee' op, zonder nadere plaats.



