Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Geelkaakweidespreeuw

Geelkaakweidespreeuw | Sturnella neglecta

Western Meadowlark | Turpial gorjeador

De geelkaakweidespreeuw is de weidespreeuw van de graslanden ten westen van de Mississippi: gedrongen, kortstaartig en met een felgele onderzijde waarop een zwarte V staat. Hij zingt vanaf hekpalen en draden langs de prairiewegen en is als staatsvogel van zes staten aangenomen. Van de vrijwel identieke witkaakweidespreeuw is hij het zekerst te scheiden op de zang en op de gele kleur die doorloopt tot op de wangstreep.

Geelkaakweidespreeuw (Sturnella neglecta)
Foto: Steve Berardi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, vloeiende reeks fluittonen die overgaat in een omlaag buitelende, gorgelende slotfiguur van zeven tot tien noten — een aaneengesloten, fluitachtig geheel. Bij de witkaakweidespreeuw bestaat de zang uit twee tot vier langzame, ijle en omlaag glijdende fluittonen zonder dat gorgelende slot; dat verschil is op elke afstand bruikbaar. De roep is een laag, droog tsjoek en een korte ratel die bij het opvliegen klinkt; de vluchtroep is een hoog, kort tsjiep.

Luister: DuetXC1087853

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Peterson Road, Colusa County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

De onderzijde is helder geel met een zwarte, brede V over de borst; flanken en buikzijden zijn wit met donkere streping. De bovenzijde is bruin met zwarte en okerkleurige streping, de kop heeft een zwart-bruin gestreept patroon met een lichte middenkruinstreep en een gele wenkbrauwstreep voor het oog. De snavel is lang, spits en grijsblauw met een donkere punt; de staart is kort, stijf en wordt bij het landen even gespreid, waarbij de witte buitenste staartpennen zichtbaar worden. In de winter is het zwarte borstschild deels door lichte veerranden verhuld.

Verwarrings­soorten

Bij de witkaakweidespreeuw is de wangstreep onder het oog wit; bij de geelkaakweidespreeuw loopt het geel van de keel door tot op die wangstreep, tot onder de oogstreep. De geelkaakweidespreeuw is bovendien bleker en grijzer op de bovenzijde, heeft vager begrensde flankstrepen en minder wit in de staart: doorgaans zijn de buitenste twee tot drie staartpennen deels wit, tegen drie tot vier grotendeels witte pennen bij de witkaakweidespreeuw. Waar de twee elkaar op de Great Plains ontmoeten zijn zwijgende vogels vaak niet op naam te brengen; de zang blijft het betrouwbaarste kenmerk. De Lilians weidespreeuw van de Chihuahuawoestijn is nog bleker en grijzer van rug en heeft juist meer wit in de staart en een witte wangstreep.

Leefgebied

Open grasland zonder struiken of bomen: kortgrasprairie en gemengde prairie, weiland en hooiland, steppe met sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland) en een grazige ondergroei, bermen en braakliggende akkerranden, van zeeniveau tot ruim 3000 meter in de bergweiden. Dichte struiklaag en bos worden gemeden. In de winter foerageert hij op vrijwel kale grond, stoppelvelden en overbeweide weiden, terwijl de witkaakweidespreeuw dan juist dichter begroeide plekken opzoekt. Het nest staat op de grond in een kuiltje, meestal met een grasdak eroverheen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal beslaat het westen en midden van Noord-Amerika, van Zuid-Brits-Columbia, Alberta, Saskatchewan en Zuid-Manitoba zuidwaarts tot Noord-Mexico, en oostwaarts tot Wisconsin, Illinois en Oost-Texas. In de zuidelijke helft is hij het hele jaar aanwezig; de vogels van de prairieprovincies en de noordelijke Great Plains trekken weg en overwinteren in de zuidelijke Verenigde Staten, Arkansas en Louisiana en op de Mexicaanse hoogvlakte. Het areaal breidde zich in de twintigste eeuw oostwaarts uit met de ontginning van bos tot weiland in de Grote Merenstaten. In Mexico is hij standvogel in Neder-Californië, Sonora, Chihuahua, Coahuila en Nuevo León, en wintergast zuidwaarts tot Jalisco en het Mexicaanse hoogland.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in maart of april langs een prairieweg en let op de hekpalen: een zingend mannetje zit vrijwel altijd op het hoogste punt in zijn territorium en draait de gele borst naar de zon. Kijk bij een zwijgende vogel naar de wangstreep onder het oog — geel bij deze soort, wit bij de witkaakweidespreeuw — en tel bij het opvliegen hoeveel witte staartpennen er meedraaien.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 100 miljoen vogels; daarmee is dit een van de talrijkste graslandvogels van het continent. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 niettemin een gestage afname van ongeveer 0,9 procent per jaar zien, samen ruwweg 37 procent. De oorzaken liggen in de omzetting van prairie naar akkerbouw, het verdwijnen van hooiland, bestrijdingsmiddelen en de opmars van uitheemse grassen en struiken in het grasland. De soort broedt op de grond en is gevoelig voor verstoring en voor maaien in het broedseizoen.

Wetenschappelijke naam

Sturnella neglecta | Audubon, 1844

Audubon beschreef de soort in 1844 naar een exemplaar van de Missouri boven Fort Croghan in het huidige North Dakota; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de soort staat nog steeds in het geslacht waarin ze werd beschreven. Het geslacht Sturnella is een verkleinvorm van het Latijnse sturnus 'spreeuw', naar het silhouet en de loopbeweging; verwant aan spreeuwen is de soort niet, ze hoort bij de troepialen. De soortnaam neglecta betekent 'over het hoofd gezien': Audubon wees erop dat reizigers door het westen, onder wie de expeditie van Lewis en Clark, de vogel tot dan toe voor de oostelijke soort hadden aangezien. De Nederlandse naam benoemt het kenmerk dat de twee scheidt: de gele wangstreep.