Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Witkaakweidespreeuw
Witkaakweidespreeuw | Sturnella magna
Eastern Meadowlark | Turpial oriental
De witkaakweidespreeuw is de gorzachtige zangvogel van het open grasland van oostelijk Noord-Amerika: gedrongen, kortstaartig, met een gele borst en een zwarte V erop. Hij zingt vanaf een paaltje of draad en verdwijnt daarna in het gras, waar hij vrijwel onzichtbaar is. Het areaal loopt van Zuid-Canada tot in Midden-Amerika, Cuba en Noord-Zuid-Amerika.
Geluid
De zang bestaat uit twee tot vijf heldere, dalende fluittonen, vaak weergegeven als sie-joe, sie-jieer; de hele strofe duurt ongeveer anderhalve seconde en de toonhoogte glijdt aan het eind omlaag. Het is een eenvoudige reeks losse fluiten, zonder de tuimelende, gorgelende slotpassage van de geelkaakweidespreeuw. Bij onrust klinkt een hoog, scherp dzjert en een droge ratel; opvliegende vogels laten een korte reeks van die ratelnotities horen. Een mannetje heeft meerdere strofetypen in zijn repertoire en wisselt ze af vanaf een vaste zangpost.
Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · Colonia Yanashi, San Jerónimo Tlacochahuaya, Oaxaca, Mexico · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen vogel met een lange, spitse, lichte snavel, een korte staart en lange poten. De onderdelen zijn geel, met een brede zwarte V over de borst die bij de winterkleedvogel dof en bruinig omfloerst is. De kop is in de lengte gestreept: donkere kruinstrepen met een bleke middenstreep, een gele wenkbrauwstreep vóór het oog en witte kaakstreek. De bovendelen zijn bruin met zwarte dwarsbanden die op mantel en schouders tot lange strepen samenvloeien. In vlucht vallen de korte, stijve vleugelslagen afgewisseld met glijden op, en de witte buitenste staartpennen die bij het opvliegen even oplichten.
Verwarringssoorten
Drie weidespreeuwen lijken sterk op elkaar en zang is het betrouwbaarste kenmerk. De geelkaakweidespreeuw heeft een tuimelende, gorgelende, fluitachtige zang die aan het eind versnelt, terwijl de witkaakweidespreeuw losse, dalende fluiten geeft; bovendien loopt bij de geelkaak het geel van de keel door tot in de kaakstreek, die bij de witkaak wit blijft. Lilians weidespreeuw zingt ook heldere fluiten, maar hoger, dunner, met meer notities en sneller achter elkaar. Zien doe je dat verschil aan de staart: bij Lilians weidespreeuw zijn de drie buitenste staartpennen vrijwel geheel wit, zodat de staart bij het opvliegen wit oplicht, tegenover een smallere witte rand bij de witkaakweidespreeuw. Lilians is bovendien bleker en grijzer van boven, met dwarsbanden die los blijven staan in plaats van tot strepen samen te vloeien, en met een witter, minder gestreept oorveld. De arealen overlappen nauwelijks: Lilians weidespreeuw hoort bij het woestijngrasland van Arizona, New Mexico en West-Texas, de witkaakweidespreeuw bij het grasland oostelijk daarvan.
Leefgebied
Open grasland met hoge, dichte vegetatie: van nature hooggrasprairie en natte graslanden, tegenwoordig vooral hooiland, extensief beweid grasland, braakliggende akkers en brede bermen. Hij kiest hoger en voller gras dan de geelkaakweidespreeuw en mijdt terrein met veel opgaande struiken of bomen. Het nest is een overkoepelde graskom op de grond, verscholen onder de zode; daardoor is de soort gevoelig voor maaien tijdens het broedseizoen. In de tropen ligt hij ook in beweide savanne en in door ontbossing ontstaan grasland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat het oosten en midden van Noord-Amerika oostelijk van de Rocky Mountains, van Zuid-Ontario en Zuid-Quebec tot aan de Golfkust en Florida, en verder zuidwaarts langs Oost-Mexico door Midden-Amerika tot Nicaragua, met daarnaast Cuba en een reeks populaties in Colombia, Venezuela en de Guyana's. In het grootste deel van dat gebied is hij standvogel; alleen de noordelijke broedvogels van Canada en de noordelijke staten trekken weg en verblijven de winter zuidelijker binnen hetzelfde areaal, vaak in losse groepjes in stoppelvelden. In het westen raakt de verspreiding die van de geelkaakweidespreeuw op de prairiegrens, waar beide soorten naast elkaar zingen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen april en juni langs een landweg door hooiland: het mannetje zingt dan vanaf een paal, draad of struik en is van ver hoorbaar. Buiten de zangperiode verraadt hij zich vooral in vlucht, aan de opeenvolging van snelle, stijve vleugelslagen en een glijfase en aan de witte staartranden. Loop niet het gras in om hem te zoeken — de nesten liggen op de grond.
Staat van instandhouding
De soort is nog wijdverbreid, met een geschatte Noord-Amerikaanse populatie van tientallen miljoenen vogels, maar de aantallen dalen al decennialang sterk; de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat een verlies van ruim twee derde sinds 1970 zien en de IUCN classificeert Sturnella magna in ruime zin als gevoelig (NT). De oorzaken liggen in het verdwijnen van grasland: omzetting naar akkerbouw, vroeger en vaker maaien waardoor legsels verloren gaan, intensieve begrazing en het dichtgroeien van niet-beheerde percelen. Uitstel van de eerste maaibeurt en het behouden van grote aaneengesloten graslanden zijn de maatregelen waarop het beheer zich richt. In Midden-Amerika breidde de soort zich juist uit met de ontbossing.
Wetenschappelijke naam
Sturnella magna | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alauda magna, ingedeeld bij de leeuweriken; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sturnella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot en is een verkleinvorm van het Latijnse sturnus 'spreeuw', naar de gedrongen bouw en de spitse snavel. De soortnaam magna betekent 'groot'. De typelocatie stond eerst als 'in America, Africa' vermeld en werd in 1931 beperkt tot South Carolina. De Nederlandse naam wijst op de witte kaakstreek, het kenmerk dat hem van de geelkaakweidespreeuw scheidt.





