Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Gouden grondspecht
Gouden grondspecht | Colaptes auratus
Northern Flicker | Carpintero escapulario
De gouden grondspecht is de specht die het vaakst op de grond wordt gezien: een bruine, zwartgevlekte vogel met een witte stuit die met korte sprongen achter mieren aan gaat. Hij komt voor in twee sterk verschillende vormen — geelschacht in het oosten, roodschacht in het westen — die als één soort worden behandeld en die elkaar waar hun gebieden overlappen vrij kruisen.
Geluid
In het voorjaar laat hij een lange, snel herhaalde reeks horen, een luid en dragend wik-wik-wik-wik-wik dat wel tien seconden kan aanhouden en van ver te horen is. Daarnaast klinkt een enkel, ver dragend klieuw, vaak als contactroep tussen partners, en in de balts een zacht, herhaald wik-a wik-a wik-a waarbij vogels tegenover elkaar met de kop zwaaien. Hij trommelt ook, maar minder hard en minder aanhoudend dan de meeste andere spechten.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Four Mile Draw Rd, Custer State Park, South Dakota, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, bruine specht met zwarte dwarsbanding op de rug, een zwarte halsband op de borst en een spikkelig lichtbruin onderlichaam, met in vlucht altijd een opvallende witte stuit. In het oosten — de geelschachtvorm — zijn de onderkant van vleugels en staart citroengeel en draagt het mannetje een zwarte snorstreep; in het westen — de roodschachtvorm — zijn diezelfde delen zalmrood en is de snorstreep rood, terwijl het mannetje daar bovendien een grijze kop heeft tegenover de bruine kop van de oostelijke vorm. Beide vormen hebben een rode nekvlek, al is die bij de roodschachtvorm vaak minder scherp begrensd. Vrouwtjes missen de snorstreep; juvenielen lijken op de volwassen vogel maar zijn wat doffer met een dichtere spikkeling.
Verwarringssoorten
Op de grond wordt hij weleens voor een lijster aangezien door zijn bruine kleur en hupsende gang, maar de dolkachtige snavel en de witte stuit in vlucht zijn afdoend. De roodschachtvorm wordt in het westen verward met de Gilaspecht, die echter een geheel andere, zebra-achtige rugtekening heeft zonder de brede zwarte borstband. Waar geel- en roodschachtvorm elkaar ontmoeten komen tussenvormen voor met een mengeling van gele, oranje en rode veerschachten, die zich niet netjes bij één vorm laten indelen.
Leefgebied
Open bos, bosranden, boomgroepen in grasland en savanne, en verder tuinen, parken en boomrijke voorsteden — overal met open grond in de buurt om op te foerageren. Gesloten, dicht bos mijdt hij, evenals kaal, boomloos land; hij heeft dode of aftakelende bomen nodig om zijn nestholte in te hakken. In het westen reikt hij tot in droog pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesland en berglandschappen met verspreide dennen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De geelschachtvorm broedt van Alaska en heel bebost Canada zuidwaarts door het oosten van de Verenigde Staten tot Texas; de roodschachtvorm van zuidelijk Alaska door het westen van Noord-Amerika zuidwaarts tot in de Mexicaanse hooglanden. In het grootste deel van zijn areaal is de soort standvogel; noordelijke en Canadese populaties trekken in de winter deels zuidwaarts. De brede overlapzone met kruisingen ligt in de Great Plains en het noorden van de Rocky Mountains, waar hij eind negentiende eeuw al werd beschreven en die sindsdien vrij stabiel is gebleven.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op open gazons en grasland aan de rand van bos, waar hij met korte sprongen mierennesten afzoekt en bij verstoring meteen zijn witte stuit toont in de opvliegende vlucht. In het overlapgebied van de Great Plains beslissen de kleur van de veerschachten en de kopkleur of een vogel zuiver is of een tussenvorm.
Staat van instandhouding
Wijdverbreid en nog altijd een van de talrijkste spechten van Noord-Amerika, al is de populatie de afgelopen decennia geleidelijk afgenomen, mogelijk door concurrentie om nestholtes met de geïntroduceerde spreeuw. Hij profiteert van dode bomen die blijven staan en van tuinen met open grond, en wordt plaatselijk als bestrijder van huisgevels gezien wanneer hij daar tegen trommelt.
Wetenschappelijke naam
Colaptes auratus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cuculus auratus, bij de koekoeken, vermoedelijk vanwege de algemene gedaante en de dwarsbanding; omdat ze sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Colaptes is afgeleid van het Griekse woord voor 'hakken' of 'houwen', naar de manier van foerageren; auratus is Latijn voor 'verguld', naar de gouden veerschachten van de oostelijke vorm. De typelocatie ligt in South Carolina.




