Alle soorten › Zangvogels › Buidelmezen › Goudmees

Goudmees | Auriparus flaviceps

Verdin | Baloncillo

De goudmees is het kleinste vogeltje van het woestijnstruweel van het zuidwesten: grijs als de doornstruiken waarin hij zit, met een goudgele kop en een kastanjebruin schouderstipje dat vaak verborgen blijft. Hij weegt vijf tot acht gram en houdt het uit in laag struikgewas waar het 's zomers ver boven de veertig graden loopt. Meestal vallen zijn bolvormige nesten eerder op dan hijzelf.

Goudmees (Auriparus flaviceps)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van drie of vier heldere, doordringende fluittonen op vrijwel gelijke hoogte, tsjie-tsjie-tsjie, waarvan de laatste soms iets zakt; hij klinkt het hele jaar en het meest van februari tot mei. De gewone roep is een scherp, hard tsjep, dat in een snelle ratel overgaat zodra er een slang of een klapekster bij het nest komt. Beide geslachten roepen, en de twee vogels van een paar houden er onderling contact mee terwijl ze door het struweel schuiven. Wie hem zoekt, hoort hem vrijwel altijd eerder dan hij hem ziet.

Luister: RoepXC1151109

Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · Tucson, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto

Herkenning

Een nietig vogeltje van negen tot elf centimeter met een korte staart, een verhoudingsgewijs grote kop en een spitse, priemvormige snavel — die snavel is het betrouwbaarste kenmerk. Het lichaam is effen grijs, de kop en de keel zijn helder geel, en op de vleugelboeg zit een klein kastanjerood veldje dat vaak onder de schouderveren wegvalt. Het vrouwtje is iets fletser geel; verder zijn de geslachten gelijk. Jonge vogels zijn de eerste maanden geheel grijsbruin, zonder geel en zonder rood, en worden dan geregeld voor iets anders aangezien. Hij foerageert beweeglijk in de buitenste twijgen en hangt daarbij vaak ondersteboven.

Verwarrings­soorten

Een jonge goudmees zonder geel is de klassieke vergissing: hij lijkt op de struikmees, maar die heeft een stomp, kort snaveltje, een veel langere staart en trekt in groepjes rond, terwijl de goudmees alleen of per paar leeft. De blauwgrijze muggenvanger en de zwartstaartmuggenvanger zijn slanker en blauwgrijs, met een lange staart die van onderen zwart met wit is en die voortdurend heen en weer wipt. Lucy's zanger (Leiothlypis luciae) is bleker en heeft een dun, recht zangvogelsnaveltje, een roestbruine stuit en een roestvlekje op de kruin, en hij verdwijnt in de winter naar het zuiden. Bij twijfel beslist de snavel: alleen de goudmees heeft er een die er als een naald uitziet.

Leefgebied

Laag, dicht doornstruweel van mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), acacia, paloverde (groenstammige woestijnboom van het zuidwesten) en creosootstruik, het dichtst bevolkt langs droge beddingen waar de struiken het hoogst worden. Kale vlakten zonder struiken mijdt hij, en gesloten bos evenzeer. In woestijnsteden houdt hij stand zolang er doornige heesters en bloeiende planten in de tuinen staan, en daar bezoekt hij ook de suikerwaterhouders die voor kolibries zijn opgehangen. Het is een vogel van de lage, hete woestijnen; hoger in de bergen ontbreekt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het zuidwesten: van zuidoostelijk Californië, zuidelijk Nevada en het uiterste zuidwesten van Utah door Arizona en New Mexico tot west- en zuid-Texas, en zuidwaarts over het schiereiland Neder-Californië en het droge binnenland van Mexico tot in Sinaloa en Hidalgo. Trekken doet hij niet; alleen jonge vogels zwerven in hun eerste winter over enige afstand. In zuidelijk Californië is hij uit grote delen van zijn oude gebied verdwenen doordat het lage woestijnstruweel daar is volgebouwd. Waar de bebouwing struikgewas overlaat, blijft hij zitten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek in de winter eerst de nesten: bollen van doorntwijgjes ter grootte van een vuist, op ooghoogte in een lage struik langs een droge bedding. Hangen er een paar bij elkaar, dan zit de vogel bijna zeker binnen een steenworp. Ga daarna stilstaan en luister in het eerste uur na zonsopgang; dan roept hij het meest, en vaak komt hij zelf dichterbij.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met naar schatting zeven miljoen broedvogels. Het beeld is niettemin minder rustig dan die categorie doet vermoeden: de Amerikaanse broedvogeltellingen laten van 1968 tot 2015 een afname van ongeveer 1,9 procent per jaar zien, bij elkaar ruim zestig procent. De oorzaak wordt vooral gezocht in het volbouwen van laag woestijnstruweel rond de snel groeiende steden van het zuidwesten; in zuidelijk Californië is dat het duidelijkst te zien.

Wetenschappelijke naam

Auriparus flaviceps | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Aegithalus flaviceps, bij de buidelmezen van de Oude Wereld; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Auriparus werd in 1864 ingevoerd door Baird, uit het Latijnse aurum, 'goud', en parus, 'mees'. flaviceps betekent 'geelkoppig', van flavus, 'geel', en ceps, 'kop'. Op het etiket van het eerst beschreven exemplaar stond 'Sitka vel California' — Sitka in Alaska óf Californië, ruim vierduizend kilometer uit elkaar; Grinnell maakte in 1931 aannemelijk dat de vogel uit de omgeving van Loreto op het schiereiland Neder-Californië kwam.