Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grauwe Franjepoot
Grauwe Franjepoot | Phalaropus lobatus
Red-necked Phalarope | Falaropo picofino
De grauwe franjepoot is de kleinste en fijnst gesnavelde van de drie franjepoten, een steltloper die zwemt als een eendje en zijn hele winter op zee doorbrengt. Ook bij deze soort is het vrouwtje het felst gekleurd en het luidruchtigst: zij kiest en verdedigt het mannetje, legt haar eieren en trekt weg, terwijl het mannetje alleen broedt en de jongen begeleidt. Op doortrek draait hij in dichte groepjes rondjes op ondiepe plassen, tot een insectenlarve of een kreeftje boven komt drijven.
Geluid
Het gewone geluid is een kort, hard tsjik of kerrek, dat vaak in een snelle reeks komt wanneer een groepje opvliegt of op het water bij elkaar komt. Het klinkt lager en droger dan de scherpe piep van de rosse franjepoot en draagt over water ver door. Op de toendra geeft het vrouwtje bij de balts een aanhoudend ratelend tirr-tirr-tirr terwijl ze om een mannetje heen zwemt. Bij de nestplaats en bij jongen klinkt een zacht, kort tjup; op zee zwijgt de soort meestal.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto
Herkenning
Het vrouwtje in zomerkleed heeft een leikleurige kop en borst, een scherp afgetekende witte keelvlek, een klein wit vlekje boven het oog en een brede oranjerode band die vanaf de zijhals naar voren buigt; over de donkere rug lopen twee goudgele bretels. Het mannetje is bruiner en doffer, met minder rood en een grijzer patroon, en het is dit mannetje dat broedt. In winterkleed is de vogel grijs van boven met lichte lengtestrepen over de rug, wit van onder, met een donkere kruin en nek en een scherpe zwarte vlek achter het oog. Jonge vogels zijn zwartbruin op de rug met heldere geelbruine bretels en een roze-beige waas over hals en borst. De snavel is kort maar naaldfijn en geheel zwart, de fijnste snavel van alle drie de soorten. In de vlucht valt hij op door zijn geringe formaat, de duidelijke witte vleugelstreep en de snelle, zwenkende vlucht van een groep.
Verwarringssoorten
De rosse franjepoot (Phalaropus fulicarius) is de belangrijkste verwarringssoort: in winterkleed is diens rug effen lichtgrijs zonder streping en is de snavel kort en dik, terwijl de grauwe franjepoot een gestreepte rug en een naaldfijne snavel heeft; de grauwe is ook merkbaar kleiner en donkerder van kruin. In zomerkleed is de rosse geheel rood van onder met een witte wang, de grauwe grijs met een witte keel en een rode zijhals. De grote franjepoot (P. tricolor) is groter, heeft een veel langere snavel, gele poten en in winterkleed een wit gezicht zonder oogvlek, en blijft in het binnenland. Op een plas kan een zwemmende grauwe franjepoot voor een klein watervogeltje worden aangezien; de naaldsnavel, de gelobde tenen en het draaien maken dan meteen duidelijk waar je naar kijkt.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broedt op lage arctische toendra aan de rand van kleine plassen, veenpoelen en zeggemoerassen, vaak in de buurt van de kust maar ook in de brede rivierdalen van het binnenland. Buiten de broedtijd leeft hij op zee, boven opwellingen en in de stroomnaden waar getijstromen het plankton bijeendrijven; de monding van de Baai van Fundy is daar in het oosten van het gebied het bekendste voorbeeld van. Op doortrek door het Westen gebruikt hij bovendien binnenwateren: alkalische meren, spaarbekkens en vooral rioolvijvers, waar hij soms met honderden tegelijk ronddraait. Slikplaten en het strand mijdt hij; hij eet vrijwel alles zwemmend, van het wateroppervlak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel rond de hele pool op de lagere toendra: in dit gebied van West- en Noord-Alaska door Yukon en de Northwest Territories tot Nunavut, langs de kusten van de Hudsonbaai in Manitoba en Ontario, in noordelijk Quebec en Labrador, en in Groenland. De westelijke vogels trekken deels over land door het Grote Bekken en verlaten het continent langs de Pacifische kust; de oostelijke gaan over zee, met vanouds een verzamelplaats in de Baai van Fundy. Overwinterd wordt op zee boven koude, planktonrijke stromen: in het westelijk halfrond van westelijk Mexico tot voor Peru, en verder op de Arabische Zee en rond Indonesië. In de Baai van Fundy werden in de jaren zeventig nog groepen van in totaal miljoenen vogels geschat; in de jaren tachtig stortten die aantallen in en de grote concentraties zijn daar sindsdien niet teruggekeerd.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen half augustus en eind september op een rioolvijver, een spaarbekken of een alkalisch meer in het Westen: op zulke plekken zwemt hij dicht bij de oever en kun je hem eindelijk eens van dichtbij zien. Let dan op de rug — lichte lengtestrepen betekenen grauwe franjepoot, egaal grijs betekent rosse. Aan de kust loont een zeetrektelling bij aanlandige wind in september, wanneer kleine groepjes laag over het water langsschieten.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC) en de wereldpopulatie wordt op ruim vier miljoen vogels geschat, maar de trend is door het leven op open zee lastig te meten. In het noordwesten van de Atlantische Oceaan is de achteruitgang wel duidelijk: de miljoenenconcentraties in de Baai van Fundy zijn verdwenen, wat in verband wordt gebracht met veranderingen in de hoeveelheid dierlijk plankton daar. Olievervuiling en het inslikken van plastic treffen hem net als de andere franjepoten, en op de broedgebieden komt struikopslag op de toendra erbij. Omdat hij zijn voedsel van het wateroppervlak plukt, werkt elke verschuiving in de zeestromen vrijwel meteen door in zijn overleving.
Wetenschappelijke naam
Phalaropus lobatus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 in het geslacht Tringa, bij de ruiters, als Tringa lobata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving berust op de afbeelding van Edwards, plaat 143, en de typelocatie is Hudsonbaai. lobatus is nieuw Latijn voor 'gelobd', naar de vliezige lobben langs de tenen waarmee de vogel zwemt; het geslacht Phalaropus verwijst met phalaris 'meerkoet' en pous 'voet' naar diezelfde tenen. De Nederlandse naam noemt het grauwe winterkleed, het Engels de rode zijhals van de zomer en het Spaans de dunne snavel.




