Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rosse Franjepoot

Rosse Franjepoot | Phalaropus fulicarius

Red Phalarope | Falaropo picogrueso

De rosse franjepoot brengt tien van de twaalf maanden zwemmend op volle zee door en komt alleen om te broeden aan land, op de natte kusttoendra van het hoge noorden. Ook hier is het vrouwtje het felst gekleurd: baksteenrood van keel tot staart, met een zwarte kap en een witte wang — zij verovert een mannetje, legt haar eieren en vertrekt, waarna het mannetje in zijn eentje broedt. In winterkleed is dezelfde vogel effen lichtgrijs en wit, met een zwarte vlek door het oog, en drijft hij als een plukje schuim op de golven.

Rosse Franjepoot (Phalaropus fulicarius)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een hoog, kort en scherp pit of wit, dat een groepje bij het opvliegen in een snelle reeks laat horen. Op de toendra klinkt daarnaast een ratelend, iets zoemend wit-wit-wit-wit, meestal van een vogel die laag over de plassen vliegt. Het vrouwtje gebruikt bij de balts een langgerekt, klagend prieep, waarmee ze een mannetje volgt. Op zee is de soort meestal stil; wie een groep vlak langs de boot heeft, hoort hooguit een dun gepiep tussen de golven door.

Luister: RoepXC1063401

Opname: Avery Bartels — CC BY-NC-SA 4.0 · Old Crow, Yukon, Canada · xeno-canto

Herkenning

Het vrouwtje in zomerkleed is niet te verwarren: de hele onderzijde van keel tot staartwortel is diep baksteenrood, de kruin zwart, de wang wit, en de korte dikke snavel geel met een zwarte punt. Het mannetje draagt hetzelfde patroon maar bleker en onregelmatiger, met wit doormengd rood en een gestreepte kruin, en het is dit mannetje dat op de eieren zit. In winterkleed is de vogel van boven effen, gaaf lichtgrijs zonder streping, van onder wit, met een witte kruin en een scherpe zwarte vlek die van het oog naar achteren loopt. Jonge vogels hebben een donkere rug met warme veerranden en een roomkleurige waas over hals en borst. De snavel is het beste kenmerk: kort, breed aan de basis en stomp, veel dikker dan bij de andere franjepoten, vaak met geel aan de wortel. In de vlucht toont hij een duidelijke witte vleugelstreep en een donker middenveld op stuit en staart; op het water ligt hij hoog en licht, als een stukje kurk.

Verwarrings­soorten

De grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus) lijkt het meest op deze soort: in winterkleed heeft die een gestreepte, niet effen grijze rug, een donkerder en verder doorlopende kap, en vooral een naaldfijne snavel, terwijl die van de rosse franjepoot kort en dik is. In zomerkleed is het verschil groot: de grauwe heeft een witte keel met een roestrode band langs de hals, de rosse een geheel rode onderzijde met een witte wang. De grote franjepoot (P. tricolor) heeft in winterkleed geen zwarte oogvlek, gele poten en een veel langere snavel, en blijft in het binnenland. Een rosse franjepoot in winterkleed op het strand kan op een drieteenstrandloper lijken, maar heeft gelobde tenen, een donker oogmasker en gaat vrijwel meteen weer zwemmen.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Het grootste deel van het jaar leeft hij op de open oceaan, bij voorkeur boven opwellingen, in stroomnaden en in de woelige stroken waar getijstromen botsen; daar drijft het plankton samen waarvan hij leeft. Hij volgt ook grote walvissen en voedt zich met de kreeftachtigen die die aan de oppervlakte brengen. Om te broeden kiest hij lage, natte kusttoendra met veel kleine plassen en zeggemoeras, meestal dicht bij zee en zelden ver landinwaarts. Slikplaten en zandstranden gebruikt hij nauwelijks; wie hem van het land af ziet, ziet meestal een vogel die door storm naar binnen is gedreven en dan op een haven, een spaarbekken of zelfs een parkeerterrein terechtkomt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de hoge toendra rond de hele pool: in dit gebied van de noord- en westkust van Alaska door de Canadese arctische eilanden tot Groenland, en verder over IJsland en Siberië. De trek gaat vrijwel geheel over zee; de vrouwtjes vertrekken al eind juni, de mannetjes met de jongen pas weken later, en in het najaar liggen de vogels ver buiten de kust. In de winter verzamelen ze zich boven de koude, voedselrijke stromen: in de Grote Oceaan van Californië tot Chili, in de Atlantische Oceaan in de Golfstroom voor het zuidoosten van de Verenigde Staten en voor de kust van westelijk Afrika. Waar precies de grootste concentraties liggen wisselt van jaar tot jaar met de stand van de zeestromen, en juist daardoor is de soort van het land af zo onvoorspelbaar.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Boek in het najaar of de winter een boottocht voor de kust van Californië en zoek op de rimpelnaden in het water: daar liggen de vogels als kleine grijswitte stipjes te draaien, veel te klein om vanaf het strand te vinden. Kijk na een najaarsstorm juist wél op het land — havens, pieren, spaarbekkens en zelfs plassen op een akker leveren dan de enige kans van het jaar op een vogel binnen tien meter. Let altijd eerst op de snavel: kort en dik betekent rosse franjepoot, ook als het kleed grijs en wit is.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie die op ruim twee miljoen vogels wordt geschat, maar in verscheidene gebieden zijn de aantallen sinds het midden van de vorige eeuw fors teruggelopen. Omdat de vogels bijna het hele jaar op open zee zitten, is die trend moeilijk te meten en zijn de oorzaken slecht bekend. Olie op zee is een directe bedreiging: een drijvende vogel met een dun verenpak overleeft besmeuring zelden. Daarnaast is bij onderzoek in het begin van deze eeuw bij het overgrote deel van de onderzochte vogels plastic in de maag gevonden, en verschuiven de planktonvelden waarvan hij leeft met de opwarming van de zee.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus fulicarius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa fulicaria, bij de ruiters; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving berust op de afbeelding van Edwards, plaat 142, en de typelocatie is Hudsonbaai. fulicarius betekent 'als een meerkoet', van het Latijnse fulica 'meerkoet', naar de gelobde tenen; het geslacht Phalaropus zegt met phalaris 'meerkoet' en pous 'voet' precies hetzelfde nog eens. In het Nederlands is de vogel naar zijn rode zomerkleed genoemd, in het Engels ook, terwijl het Spaans juist de dikke snavel kiest.