Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote Franjepoot
Grote Franjepoot | Phalaropus tricolor
Wilson's Phalarope | Falaropo tricolor
De grote franjepoot keert de gewone rolverdeling om: het vrouwtje draagt het felste kleed, verovert een mannetje en trekt daarna verder, terwijl het mannetje alleen broedt en de jongen grootbrengt. Hij is de enige van de drie franjepoten die het binnenland niet verlaat — hij broedt in prairiemoerassen en verzamelt zich daarna met tienduizenden tegelijk op zoutmeren als Mono Lake en het Great Salt Lake. Zwemmend draait hij snelle rondjes, zodat het water als een trechter voedsel naar de oppervlakte brengt.
Geluid
Een tamelijk zwijgzame steltloper: buiten de broedtijd hoor je hem zelden. Het gewone geluid is een laag, nasaal knorren, wurk of ang, dat bij een opvliegende groep als een zacht gemompel over het water gaat. Bij de balts geeft het vrouwtje reeksen van diezelfde nasale noten terwijl ze een mannetje achterna zwemt, en bij het nest klinkt een korter, harder oik. Op de zoutmeren, waar duizenden vogels bij elkaar liggen, komt het geluid niet boven een laag geroezemoes uit.
Opname: Aluisio Ribeiro — CC BY-NC-SA 4.0 · Sabáudia, State of Paraná, Brazil · xeno-canto
Herkenning
Bij deze soort is het vrouwtje het felst getekend: parelgrijze kruin en nek, een witte keel, en een brede zwarte band die vanaf het oog langs de hals loopt en naar achteren kastanjebruin wordt, met een roestige waas op de voorhals. Het mannetje is een bleke, bruinere uitgave van hetzelfde patroon, met een dof petje en een vage halsstreep — en het is dit doffere mannetje dat op de eieren zit. In winterkleed is de vogel effen lichtgrijs van boven en wit van onder, met een wit gezicht waarin hooguit een vage donkere veeg achter het oog staat en met gele poten. Jonge vogels hebben een donkere, geschubde rug met warme veerranden, een gele poot en een zweem van geelbruin op hals en borst. De snavel is lang, dun en kaarsrecht, duidelijk langer dan de kop. In de vlucht valt op dat er géén witte vleugelstreep is, maar wel een witte stuit boven een grijze staart.
Verwarringssoorten
De drie franjepoten scheid je het best op de snavel: bij de grote franjepoot is hij naaldfijn en langer dan de kop, bij de grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus) naaldfijn maar kort, en bij de rosse franjepoot (P. fulicarius) kort en duidelijk dik, vaak met een gele basis. In zomerkleed is de grote franjepoot de enige zonder zwarte kap en zonder wit op de vleugel, met een kastanjebruine halsband in plaats van een roestrode keelvlek of een geheel rode onderzijde. In winterkleed heeft hij een wit gezicht met hooguit een veeg achter het oog, terwijl de andere twee een scherp zwart oormasker dragen; bovendien is zijn rug dan effen grijs in plaats van gestreept, en zijn de poten geel in plaats van donker. Op het slik lijkt een winterse grote franjepoot op een kleine geelpootruiter, maar die staat hoger op de poot, heeft een grijs gestreepte borst en gaat niet zwemmen.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Broedt aan ondiepe, vaak licht zoute prairiemoerassen en natte hooilanden met een lage, open oever waar hij tussen de zegge door kan lopen. Op doortrek gebruikt hij bijna elk ondiep water in open land: kleiputten, bevloeide velden, kwelders en vooral rioolvijvers, waar het van muggenlarven wemelt. De grootste aantallen staan echter op de sterk zoute meren van het Westen — Mono Lake, het Great Salt Lake, Lake Abert, Chaplin Lake — waar pekelkreeftjes en pekelvliegen in dichtheden voorkomen die elders niet worden gehaald; op de kale alkalivlakten eromheen loopt hij ook te voet. Bos, diep water en de open zee ontbreken volledig in zijn leven: hij is de enige franjepoot die de oceaan nooit opzoekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het binnenland: de prairieprovincies van Alberta tot Manitoba en het zuidelijke binnenland van Brits-Columbia, en in de Verenigde Staten van Washington en Oregon door het Grote Bekken en de noordelijke Great Plains tot Minnesota, Iowa en Wisconsin. Al in juni en juli verlaten de vrouwtjes het broedgebied en verzamelen zich op de zoutmeren; daar ruien de vogels in enkele weken hun verenkleed en verdubbelen ze hun gewicht, waarna ze in één lange vlucht over Midden-Amerika naar de zoutmeren van de Andes en de vlaktes van Argentinië vertrekken, ver buiten dit gidsgebied. De heenweg in het voorjaar loopt vooral over de Great Plains, de terugweg breder en meer over het Westen. Aan de oostrand van het areaal is hij in de twintigste eeuw uit veel streken verdwenen waar moerassen zijn drooggelegd, terwijl hij in het Westen juist won bij bevloeide velden en rioolvijvers.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga tussen half juli en eind augustus naar een zoutmeer of een grote rioolvijver in het Westen: dan zijn de aantallen op hun hoogst en draaien soms duizenden vogels tegelijk hun rondjes op het water. Let in mei op wie welk kleed draagt — de scherpst getekende vogels zijn de vrouwtjes, en wie in juni een vogel op eieren vindt, kijkt naar het doffere mannetje. Op afstand herken je een groep al aan de beweging: geen andere steltloper van het binnenland maakt die kleine, snelle draaien op het wateroppervlak.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC), met een populatie die op ongeveer anderhalf miljoen vogels wordt geschat en die sinds 1966 grofweg gelijk is gebleven. Het risico zit niet in het aantal maar in de plaats: bijna de hele populatie gebruikt in het najaar een handvol zoutmeren, en die meren krimpen doordat het toestromende water wordt afgetapt voor steden en landbouw. Bij het Great Salt Lake en Mono Lake is dat al zichtbaar; loopt het zoutgehalte te ver op of valt de oever droog, dan verdwijnen de pekelkreeftjes waarvan de vogels moeten leven. Op de broedgebieden is het droogleggen van prairiemoerassen de belangrijkste oorzaak van achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Phalaropus tricolor | (Vieillot, 1819)
Vieillot beschreef de soort in 1819 als Steganopus tricolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Steganopus, Grieks voor 'bedekte voet', wordt in enkele gegevensbestanden nog steeds gebruikt, maar tegenwoordig staat de soort bij Phalaropus, een naam die is gevormd uit phalaris 'meerkoet' en pous 'voet', naar de gelobde zwemvliezen langs de tenen. tricolor is Latijn voor 'driekleurig', naar het zomerkleed van grijs, wit en kastanjebruin. De beschrijving berust op vogel nummer 407 uit Azara's overzicht van de vogels van Paraguay, en Paraguay geldt daarmee als typelocatie.




