Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Grijze notenkraker
Grijze notenkraker | Nucifraga columbiana
Clark's Nutcracker | Cascanueces americano
De Grijze notenkraker is de lichtgrijze kraaiachtige van de naaldbossen hoog in de westelijke bergen, met zwarte vleugels, witte staartzijden en een lange, rechte, zwarte snavel. Hij leeft van dennenzaad en legt daarvan elk najaar tienduizenden zaden in de grond weg.
Geluid
De roep is een lang aangehouden, schrapend kraaa, dat over open hellingen honderden meters ver draagt en meestal twee of drie keer wordt herhaald. Er zijn acht tot dertien verschillende roepen beschreven. Daarnaast klinkt een kort klikken of knetteren tussen partners. Een zang met een vaste strofe ontbreekt; de vogel laat wel zachte, gemengde reeksen horen.
Opname: Diana Doyle — CC BY-SA 4.0 · Mount Shasta, Horse Camp, Siskiyou County, California, United States · xeno-canto
Herkenning
Bleek grijs op kop, rug en buik, met zwarte vleugels waarin de armpennen een witte achterrand vormen: in de vlucht ligt daar een wit vlak in het zwart. De staart is kort, met zwarte middelste pennen en witte buitenste. De snavel is lang, recht en zwart, spits toelopend en gebouwd om de schubben van een dennenkegel los te wrikken. Poten zijn zwart. De vlucht gaat met diepe, trage slagen en lijkt eerder op die van een specht dan op die van een gaai. Jonge vogels zijn iets bruiner grijs.
Verwarringssoorten
De Canadese gaai heeft ook een grijs verenkleed, maar een korte snavel, een zacht en donzig verenkleed zonder wit in de vleugel en een langere staart; hij vliegt zwevend en glijdend. De Amerikaanse ekster is groter en heeft een veel langere staart. De grijze spotlijster is kleiner en heeft een dunne snavel. Bij een vogel op afstand is het vleugelpatroon beslissend: zwarte vleugel met wit achtervlak en witte staarthoeken heeft geen enkele andere soort in de westelijke bergen.
Leefgebied
Open naaldbos in de bergen, ruwweg tussen 900 en 3900 meter, vooral waar dennen met grote zaden groeien: witbastden, limberden, ponderosa, Jeffreyden en pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten). Ook boomgrens, krummholz (kromme, door wind gedrukte boomgroei aan de boomgrens) en rotsige hellingen met losse bomen horen erbij. Buiten het seizoen komt hij op parkeerplaatsen, picknickterreinen en skigebieden in dezelfde bergen. In de herfst zakt een deel van de vogels naar lagere pinyon- en jeneverbesgordels als de zaadoogst hoger tegenvalt. Het voedsel bepaalt de jaarcyclus: de vogel breekt kegels open, vervoert 30 tot 150 zaden tegelijk in een zak onder de tong over afstanden tot ruim twintig kilometer en begraaft ze in groepjes van één tot vijftien in de bodem. Eén vogel kan in een goed zaadjaar tot ongeveer 98.000 zaden wegleggen, verdeeld over duizenden verstopplekken. Die plekken worden op ruimtelijk geheugen teruggevonden, tot meer dan negen maanden later, al neemt de trefkans na een maand of zes af; proeven laten zien dat het om geheugen voor plaats gaat en niet om toevallig zoeken. Het broeden begint al in januari of februari, op het voorraadseizoen van het jaar ervoor. De zaden die niet worden teruggevonden lopen uit: bij de witbastden komt vrijwel elke boom uit een begraven zaad voort.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van de westelijke bergen, van Centraal-Brits-Columbia en West-Alberta zuidwaarts door de Cascades, de Sierra Nevada en de Rocky Mountains tot Noord-Neder-Californië en Centraal-New Mexico, met een oostelijke buitenpost in de Black Hills van South Dakota. In Mexico bestaat daarnaast een geïsoleerde populatie op de Cerro Potosí in Nuevo León, op ongeveer 3700 meter, bij de daar endemische pinyon. In jaren met een slechte zaadoogst verlaten vogels de bergen en duiken ze op in de Great Plains, tot in Alaska en in het oosten tot Pennsylvania en Ontario.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem bij de boomgrens in augustus en september, als de kegels rijp zijn: op passen en uitzichtpunten in Yellowstone, de Sierra Nevada en de Canadese Rockies is hij dan het talrijkst. Luister eerst — het schrapende kraaa komt meestal van een dode top of van een rotspunt, waar de vogel zichtbaar zit. Aan een voertafel of picknicktafel op hoogte komt hij vaak tot op enkele meters.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd (LC); Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat het aantal op ongeveer 230.000 vogels, met een afname tussen 1966 en 2015. De soort is de belangrijkste zaadverspreider van de witbastden, die achteruitgaat door de witteden-blaasroest, uitbraken van de bergdennenkever en het uitblijven van bosbrand; in gebieden waar die den de belangrijkste zaadbron is, zoals Glacier National Park, valt met de den ook de voedselbasis van de notenkraker weg. Klimaatverandering in de subalpiene zone werkt in dezelfde richting.
Wetenschappelijke naam
Nucifraga columbiana | (Wilson, 1811)
Wilson beschreef de soort in 1811 als Corvus columbianus, naar exemplaren van de oevers van de Columbia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie werd in 1934 door Davis en Stevenson beperkt tot de Clearwater River bij Kamiah in Idaho. Nucifraga komt van het Latijnse nux 'noot' en frangere 'breken', naar het openen van zaden met de snavel; columbiana verwijst naar de Columbia. De Engelse naam gaat terug op William Clark van de expeditie van Lewis en Clark, die de vogel in 1805 aan de Salmon River noteerde en hem eerst voor een specht hield.




