Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Groene Zwaluw
Groene Zwaluw | Tachycineta thalassina
Violet-green Swallow | Golondrina verdemar
De groene zwaluw is de westelijke tegenhanger van de boomzwaluw: een holtebroeder van bergbos, canyons en kliffen, te herkennen aan de witte vlekken opzij van de stuit en het wit dat op de kop tot boven het oog doorloopt. Hij broedt van Alaska tot de Mexicaanse hooglanden, ook in nestkasten en in gaten in gebouwen.
Geluid
Twee soorten geluid zijn te onderscheiden. De contactroep is een hoog, tweelettergrepig tsjie-tsjiet, gegeven tijdens het foerageren en in vliegende groepen. Daarnaast is er een sneller getjilp dat vooral bij balts en bij het bezetten van een holte klinkt; mannetjes laten het in het donker voor zonsopgang horen, soms al een uur voor het licht wordt. Een vaste, afgeronde zangstrofe heeft de soort niet.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Lower Penstemon CG, South Hills, Idaho, United States · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen glanzend groen op kruin en mantel, met paarsbronzen glans op nek, stuit en bovenstaartdekveren; onderdelen zuiver wit. Kenmerkend zijn de twee witte vlekken aan weerszijden van de stuit, die in de vlucht van boven bijna één witte band vormen, en het wit van het gezicht dat het oog aan de bovenkant omsluit. De staart is kort met een ondiepe inkeping; de vleugels steken in rust duidelijk voorbij de staartpunt. Vrouwtjes zijn op de kop meer brons dan groen en hebben minder uitgebreid wit in het gezicht; jonge vogels zijn grijsbruin van boven, maar met de witte wangvlek al aanwezig.
Verwarringssoorten
De boomzwaluw is de enige echte verwarringssoort: die is blauwgroen in plaats van groen met paarsbrons, heeft geen witte stuitvlekken, en het wit van de wang stopt onder het oog. De staart van de boomzwaluw is dieper ingesneden en de vleugelpunten steken in rust minder ver uit. Jonge groene zwaluwen zijn van boven bruin en dan alleen aan de witte stuitvlekken en de gezichtstekening te scheiden van jonge boomzwaluwen. De oeverzwaluw heeft een scherpe borstband, de ruwvleugelzwaluw een bruine keel.
Leefgebied
Bergbos van naaldhout, eik en esp, canyons met steile rotswanden, en pinyon (laaggroeiende den van de droge zuidwestelijke bergvoeten)-jeneverbesgordels, van zeeniveau tot boven de 3000 meter. Als secundaire holtebroeder gebruikt hij oude spechtengaten, natuurlijke boomholten en spleten in rots; aan grote kliffen broeden tientallen paren dicht bijeen, in bos broeden paren verspreid. In Noordwest-Mexico worden ook gaten in zuilcactussen gebruikt. In steden en dorpen van het westen nestelt de soort in gevelspleten en onder dakranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van centraal Alaska en Yukon zuidwaarts door Brits-Columbia en de westelijke Verenigde Staten tot in Mexico, oostwaarts tot zuidwestelijk Alberta, Montana, de Black Hills en West-Texas. In de Mexicaanse hooglanden is een deel van de vogels het hele jaar aanwezig. Het winterareaal ligt vrijwel geheel in Mexico, met kleine aantallen tot in Guatemala en Honduras; noordelijk van Mexico overwinteren alleen enkele vogels aan de Californische kust. De terugkeer is vroeg: in het zuidwesten al in februari.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk in de bergen van het westen in april en mei naar zwaluwen boven een kliftop of langs een canyonwand en let op de bovenzijde: de twee witte stuitvlekken zijn juist van bovenaf, vanaf een uitkijkpunt, het duidelijkst te zien. Bij zittende vogels op een draad zijn de over de staart uitstekende vleugelpunten een snel kenmerk.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en het areaal is groot. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat over de lange termijn een geleidelijke afname zien, waarschijnlijk samenhangend met het verwijderen van dode bomen met holten uit beheerd bos en met de afname van vliegende insecten. In delen van het westen bezetten spreeuwen en huismussen geschikte holten. Waar nestkasten in bergdorpen en op campings zijn opgehangen, worden ze snel bezet.
Wetenschappelijke naam
Tachycineta thalassina | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Hirundo thalassinus; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachycineta werd in 1850 ingevoerd door Cabanis, naar het Griekse takhukinetos 'snel bewegend'. De soortnaam thalassina betekent 'zeegroen', van het Griekse thalassa 'zee', naar de kleur van de bovenzijde. Het beschreven exemplaar kwam uit Real del Monte in de Mexicaanse staat Hidalgo.





