Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Boomzwaluw
Boomzwaluw | Tachycineta bicolor
Tree Swallow | Golondrina bicolor
De boomzwaluw broedt in holten: oude spechtengaten in dode bomen langs water, en in grote aantallen in nestkasten. Hij komt vroeger terug dan de andere zwaluwen, omdat hij bij koud weer kan overschakelen op bessen, en trekt in het najaar in zwermen van tienduizenden vogels langs de kust.
Geluid
Het geluid bestaat uit heldere, vloeiende tsjilp-notities, vaak in korte reeksen. De zang die het mannetje voor zonsopgang bij de holte laat horen, is opgebouwd uit drie delen: een tjilp, een ijl jankend deel en een gorgelend slot, telkens opnieuw gecombineerd. Bij verstoring bij het nest klinkt een snel, hard geratel; een aparte alarmroep laat de jongen in de holte zwijgen en ineenduiken.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · Whitbourne, Newfoundland and Labrador, Canada · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje is van boven glanzend blauwgroen, met zwartachtige vleugels en staart, en van onderen zuiver wit; het wit van de wang loopt tot net onder het oog, maar niet erboven. Vrouwtjes zijn doffer, vaak met een bruine voorkruin, en eenjarige vrouwtjes zijn van boven grotendeels bruin met enkele blauwe veren ertussen. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin van boven en wit van onderen met een vage grijze borstwaas. De staart is ondiep gevorkt. In de vlucht glijdt de soort meer dan andere zwaluwen, in lange bogen met opgetrokken vleugels.
Verwarringssoorten
De groene zwaluw is de belangrijkste verwarringssoort: die heeft witte vlekken opzij van de stuit die boven de staartbasis bijna aaneensluiten, wit dat tot boven het oog doorloopt, en een kortere staart met ondiepere inkeping. De boomzwaluw mist beide witte kenmerken. Jonge boomzwaluwen zijn bruin van boven en dan op afstand te verwarren met de oeverzwaluw en de ruwvleugelzwaluw; de vage grijze borstwaas van de jonge boomzwaluw is diffuus, tegenover de scherpe band van de oeverzwaluw en de bruine keel van de ruwvleugelzwaluw.
Leefgebied
Open terrein met staand water en dode bomen: beverpoelen, moerasbos, oevers van meren en rivieren, natte weiden en zoetwatermoeras. Waar nestkastenrijen langs velden en vijvers zijn opgehangen, bezet de soort ze in hoge dichtheid, ook ver van bos. Buiten het broedseizoen slaapt hij in rietvelden boven water, in groepen die tot in de honderdduizenden kunnen lopen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van noordelijk Alaska en de Canadese boomgrens zuidwaarts tot Tennessee in het oosten, Kansas in het midden en Californië en New Mexico in het westen. Overwinterd wordt langs de zuidelijke kusten van de Verenigde Staten, van Californië en Arizona tot Virginia, verder langs de Golfkust, in heel Mexico, de West-Indische eilanden en Midden-Amerika. De soort komt vroeg terug: in het zuiden van het broedgebied al in februari en maart.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in maart boven een nog koud meer: de eerste zwaluw van het jaar is in vrijwel het hele oosten een boomzwaluw. Let bij een zittende vogel op de grens van het wit op de kop — blijft die onder het oog, dan is het deze soort. In september leveren de slaapplaatsen in het riet aan de Atlantische kust de grootste concentraties op.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 20 miljoen vogels. De Breeding Bird Survey laat toch een daling van ongeveer 0,7 procent per jaar zien, samen zo'n 30 procent tussen 1966 en 2019, het sterkst in het noordoosten. Knelpunten zijn het verdwijnen van dode bomen met holten door het opruimen van bos en oevers, concurrentie om holten met de ingevoerde spreeuw en huismus, en koudeperiodes in het voorjaar waarin de insectenvangst stilvalt. Nestkastenprogramma's compenseren een deel van het holteverlies; de soort is daardoor een van de best onderzochte vogels ter wereld.
Wetenschappelijke naam
Tachycineta bicolor | (Vieillot, 1808)
Vieillot beschreef de soort in 1808 als Hirundo bicolor; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachycineta werd in 1850 ingevoerd door Cabanis, naar het Griekse takhukinetos 'snel bewegend'. De soortnaam bicolor is Latijn voor 'tweekleurig', naar het contrast tussen de donkere bovenzijde en de witte onderzijde. Als typelocatie geldt het midden van de Verenigde Staten, later vastgelegd op New York.





