Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Grote gele kwikstaart
Grote gele kwikstaart | Motacilla cinerea
Gray Wagtail | Lavandera cascadeña
De grote gele kwikstaart is een Euraziatische kwikstaart van snelstromend water, met de langste staart van het geslacht. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast: vrijwel alle waarnemingen komen van de Aleoeten en de Beringzee-eilanden van Alaska, met enkele gevallen verder langs de westkust.
Geluid
De roep is een scherp, metalig tsie-tsiet, meestal in twee of drie lettergrepen en hoger en harder dan bij de witte kwikstaart; hij klinkt vooral in de golvende vlucht en is boven het ruisen van een beek uit te horen. De zang, in Noord-Amerika niet te verwachten, is een korte, gehaaste reeks scherpe notities, voorgedragen vanaf een steen of in een korte zangvlucht. Bij verstoring vliegt de vogel met herhaalde roep een stuk stroomopwaarts.
Opname: Shaun Micklewright — CC BY-NC-SA 4.0 · Wyre Forest, Worcestershire, England, United Kingdom · xeno-canto
Herkenning
Slanke kwikstaart met een lange, zwartwitte staart, die in rust voortdurend op en neer wordt bewogen. De bovendelen zijn leigrijs, de stuit is geelgroen en de onderstaartdekveren en de vent zijn helder geel; de poten zijn vleeskleurig tot bruin, niet zwart. Het mannetje heeft in de zomer een zwarte keel met een witte baardstreep en een witte wenkbrauwstreep; vrouwtje en winterkleed missen de zwarte keel en hebben vaak alleen geel op de vent. In de vlucht valt een witte vleugelstreep op tegen de donkere vleugel.
Verwarringssoorten
De oostelijke gele kwikstaart is korter van staart, olijfgroen in plaats van leigrijs op de rug, heeft zwarte poten en geel over de hele onderzijde, niet alleen op de vent. De witte kwikstaart is zwart, wit en grijs zonder enig geel. Ook in winterkleed, als het geel tot de vent beperkt is, blijven de grijze rug, de geelgroene stuit, de bleke poten en de lange staart samen beslissend.
Leefgebied
In het broedgebied snelstromende beken en rivieren met stenen, grind en watervallen, vaak in heuvel- en bergland, met nestplaatsen in een spleet of onder een brug. Buiten de broedtijd ook oevers van meren, sloten, zoutpannen, rotskusten en natte plekken in dorpen en havens. De Alaskaanse dwaalgasten zitten meestal op een natte weg, een greppelkant of een oever bij een nederzetting op een van de eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van de Atlantische eilanden en West-Europa door Noord-Afrika en heel gematigd Azië tot Kamtsjatka en Japan; noordelijke populaties trekken naar Zuid-Azië en tropisch Afrika. Kamtsjatkaanse en Japanse vogels overwinteren in Zuidoost-Azië en passeren daarbij de Koerilen en de Aleoeten, wat de gevallen in Alaska verklaart. Daar gaat het om een handvol waarnemingen per decennium, vooral op Attu, Shemya en de andere buitenste Aleoeten, op St. Paul en op Sint-Laurenseiland, in mei en juni en in de nazomer. Zuidelijker zijn er losse gevallen in Californië en Brits-Columbia.
Waar en wanneer kijken
Op de buitenste Aleoeten is eind mei de beste kans: loop de natte bermen, greppels en de randen van smeltwaterstroompjes af en let op een kwikstaart met een lange staart. Een kwikstaart met geel op de vent en grijs op de rug verdient in Alaska altijd een tweede blik; noteer de pootkleur, want die scheidt hem direct van de oostelijke gele kwikstaart.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek: het areaal is groot en de wereldpopulatie telt miljoenen vogels. In delen van West-Europa zijn de aantallen gedaald, toegeschreven aan strenge winters en aan verslechtering van de waterkwaliteit van beken. Voor Noord-Amerika is de soort te zeldzaam om een eigen trend te hebben; het aantal vastgestelde gevallen hangt daar vooral af van hoeveel waarnemers in het voorjaar de Aleoeten bezoeken.
Wetenschappelijke naam
Motacilla cinerea | Tunstall, 1771
Marmaduke Tunstall beschreef de soort in 1771 als Motacilla Cinerea; omdat ze nog altijd in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Motacilla is het Latijnse woord dat Varro voor een kwikstaart gebruikte, een verkleinvorm bij motare 'heen en weer bewegen'; de uitgang werd later ten onrechte als cilla 'staart' gelezen, waardoor de naam als 'staartbeweger' werd opgevat. De soortnaam cinerea betekent 'asgrauw' en slaat op de rug. Het beschreven exemplaar kwam uit Wycliffe in Yorkshire, Engeland.





