Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Oostelijke gele kwikstaart
Oostelijke gele kwikstaart | Motacilla tschutschensis
Eastern Yellow Wagtail | Lavandera boyera oriental
De oostelijke gele kwikstaart is de enige kwikstaart die geregeld in Noord-Amerika broedt. Hij bezet de wilgentoendra van west- en noordelijk Alaska en verlaat het continent daarna volledig: de overwintering ligt in Zuidoost-Azië, aan de andere kant van de Beringzee.
Geluid
De roep is een scherp, hoog tsriep of dzjiet, schriller dan bij de Europese gele kwikstaart, en klinkt bij vrijwel elke vlucht. De zang van het mannetje is een korte, ijle reeks dunne trillers en twitterende notities, voorgedragen vanaf een wilgentop, een paaltje of in een korte zangvlucht boven de toendra. Bij een nest in de buurt herhaalt het paar een hard, aanhoudend tsjiep.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Bang Khaem (near Nakhon Pathom), Mueang Nakhon Pathom District, Nakhon Pathom, Thailand · xeno-canto
Herkenning
Slanke, kortpotige zangvogel met een lange staart die voortdurend op en neer wordt bewogen, en met een lopende, niet huppende gang. Het broedende mannetje is olijfgrijs van boven en helder geel van onderen, met een grijze kruin, een donkere oorstreek en een witte wenkbrauwstreep; de poten zijn zwart. Het vrouwtje is doffer, met een bleekgele tot vuilwitte onderzijde en soms een fijne streping over de borst. Jonge vogels in de nazomer zijn bruingrijs met een witachtige onderzijde, een zwartachtige kraag van vlekjes over de borst en nauwelijks geel, en tonen dan twee bleke vleugelstrepen.
Verwarringssoorten
De grote gele kwikstaart, een dwaalgast in Alaska, is langer van staart, leigrijs op de rug en heeft bleke poten en geel dat tot de vent beperkt blijft. De witte kwikstaart heeft geen spoor van geel en een zwartwit koppatroon. Jonge oostelijke gele kwikstaarten worden nogal eens voor een pieper aangezien: de pieper heeft een gestreepte rug, een dunnere snavel en een kortere staart, en loopt minder rechtop, terwijl de kwikstaart een effen rug en een veel langere, wippende staart heeft.
Leefgebied
Vochtige toendra met lage wilg- en dwergberkenstruiken, zeggenvelden, rivierterrassen en de randen van meertjes en poelen, meestal onder de 300 meter. Het nest staat op de grond onder een pol of in een holte tussen de vegetatie. Hij foerageert lopend over open, kortbegroeid terrein en op slikranden, en vaak ook op grindwegen, vliegveldjes en langs bebouwing in de dorpen aan de kust. Buiten de broedtijd zit hij in rijstvelden, drassig grasland en op oevers in de Aziatische tropen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat het oosten van Siberië, van de Jenisej tot Tsjoekotka en Kamtsjatka, en loopt over de Beringstraat door tot in Alaska. Daar broedt hij op het Seward-schiereiland, in de Yukon-Kuskokwim-delta, aan de noordhelling en in het westen van de Brooks Range, en plaatselijk op de Aleoeten. In augustus en september trekken de Alaskaanse vogels westwaarts over de Beringzee en verder door Oost-Azië; de winter wordt doorgebracht van Zuid-China en Indochina tot de Filipijnen, Indonesië en Australië. In de rest van Noord-Amerika is hij een zeldzame verschijning, met najaarsgevallen langs de kust van Brits-Columbia en Californië.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is begin juni tot half juli in de toendra rond Nome of in het dorp Gambell op Sint-Laurenseiland, waar zingende mannetjes vanaf wilgentoppen en dakranden te zien zijn. Let vooral op het geluid: het scherpe tsriep boven de toendra gaat meestal aan de waarneming vooraf. In augustus zijn de meeste vogels jong en grijsbruin, dus reken dan op de looppas, de lange wippende staart en de effen rug.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek; het Siberische areaal en de wereldpopulatie zijn beide groot. Het Alaskaanse deel is daarvan een klein randgebied dat nauwelijks wordt geteld, waardoor een trend voor Noord-Amerika ontbreekt; het opwarmen van de toendra en de opdringende struikvegetatie veranderen wel het broedbiotoop. Op de trekroute en in de overwinteringsgebieden zijn het omzetten van rijstvelden en het wegvallen van drassig grasland de grootste veranderingen.
Wetenschappelijke naam
Motacilla tschutschensis | Gmelin, 1789
Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla tschutschensis; omdat ze nog in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Motacilla is het Latijnse woord voor een kwikstaart, een verkleinvorm bij motare 'heen en weer bewegen', later ten onrechte als 'staartbeweger' gelezen. De soortnaam verwijst naar de Tsjoektsjen en hun schiereiland Tsjoekotka in het uiterste noordoosten van Siberië, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam; het werd verzameld tijdens de derde reis van James Cook. De soort werd lang als onderdeel van de Europese gele kwikstaart beschouwd en is daar pas recent van afgesplitst.





