Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Grote mantelmeeuw
Grote mantelmeeuw | Larus marinus
Great Black-backed Gull | Gavión atlántico
De grote mantelmeeuw is de grootste meeuw ter wereld: bijna tachtig centimeter lang, met een leizwarte mantel, een kop die ook midden in de winter zuiver wit blijft, en een snavel die zwaar genoeg is om een jonge alk in één keer door te slikken. Aan de Noord-Amerikaanse oostkust is hij in honderd jaar van Nova Scotia tot North Carolina opgeschoven.
Geluid
Een diepe, hese aoek, lager en langzamer dan van elke andere meeuw; wie die stem eenmaal kent, hoort hem er in een gemengde groep meteen uit. De lange roep gaat met de kop achterover en de snavel recht omhoog, in een reeks van vijf tot acht dalende kreten. Bij onraad klinkt een kort, blaffend gak-gak-gak, en boven de kolonie zwelt het gekrijs aan zodra er een mens of een arend nadert. Jongen bedelen met een dun, piepend wie-ie en pikken daarbij naar de rode vlek op de snavel van de ouder.
Opname: Corentin Rivière — CC BY-NC-SA 4.0 · Pelet-Romond, Chausey, Granville, Manche, Normandie, France · xeno-canto
Herkenning
De volwassen vogel heeft een leizwarte mantel en bovenvleugels met een brede witte achterrand, en aan de vleugelpunt grote witte spiegels die het zwart bijna omsluiten. Kop en onderzijde zijn zuiver wit, ook in de winter, terwijl de andere grote meeuwen dan een gestreepte kop en hals hebben. De snavel is geel met een rode vlek op de ondersnavel, hoog en met een duidelijke knik; de poten zijn vleeskleurig roze. Man en vrouw zijn gelijk getekend, maar het mannetje is groter en zwaarder van kop. Het volwassen kleed is er pas na vier jaar: jonge vogels zijn boven zwart-en-wit geblokt, met een lichte kop, een scherp afgetekende zwarte snavel en een witte staart met een smalle zwarte band. De vlucht is traag, met diepe slagen; op de grond staat hij rechtop en steekt hij boven elke andere meeuw uit.
Verwarringssoorten
De ringsnavelmeeuw is nog geen derde van zijn gewicht, heeft een lichtgrijze mantel, gele poten, een gele snavel met een zwarte ring en in de winter een gestreepte kop. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus), die in groeiende aantallen aan de oostkust overwintert, is duidelijk kleiner en slanker, heeft gele poten en een leigrijze in plaats van zwarte mantel. De Amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) heeft dezelfde roze poten, maar een lichtgrijze mantel, een fijnere snavel en in de winter een zwaar gestreepte kop en hals. Op zee wordt een volwassen vogel op afstand voor een jan-van-gent aangezien; die is wit met alleen zwarte vleugelpunten, aan beide kanten spits, en hij vouwt de vleugels om te duiken, terwijl de meeuw een brede, ronde vleugel heeft en het water niet in gaat.
Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar
Leefgebied
Kusten met open water: havens, pieren, riviermondingen, zandstranden en de slikplaten van estuaria, waar hij bij hoogwater tussen de andere meeuwen staat. Om te broeden gebruikt hij rotseilandjes, kwelders en duinen voor de kust, het liefst op een verhoging van waaraf hij de omgeving overziet. Hij volgt vissersschepen tot ver uit de kust en zoekt op vuilstortplaatsen en bij waterzuiveringen, al zijn de open stortplaatsen in Noord-Amerika grotendeels gesloten. Diep in het binnenland komt hij alleen langs de Grote Meren en de grote rivieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt aan beide zijden van de Noord-Atlantische Oceaan; aan de Amerikaanse kant van Zuidwest-Groenland en Labrador door de Golf van Sint-Laurens en de Maritieme Provincies zuidwaarts langs de Atlantische kust. Rond 1900 was hij door de jacht op eieren en veren teruggedrongen tot Nova Scotia; daarna schoof de broedgrens in stappen naar het zuiden — Maine in 1928, Massachusetts in 1931, New Jersey na 1960, tegenwoordig tot North Carolina — en vestigde hij zich ook op de Grote Meren. In de winter trekken vooral de jonge vogels zuidwaarts, tot voor Florida en over de binnenwateren tot ver landinwaarts. Volwassen vogels blijven vaak in de buurt van de kolonie zolang het water open blijft.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga bij hoogwater naar een pier of een zandbank waar meeuwen samen staan en zoek de vogel die er met kop en schouders bovenuit steekt; de zware, hoekige kop valt daarbij eerder op dan de zwarte mantel. In januari en februari is de zuiver witte kop het snelste kenmerk, want elke andere grote meeuw om hem heen is dan gestreept. Achter een binnenvarende viskotter is hij meestal de eerste die bij een overboord gezette vis is.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat, waarvan een kleiner deel in Noord-Amerika broedt. Na een eeuw van groei lopen de aantallen in de Golf van Maine en in Atlantisch Canada sinds ongeveer 1990 terug, tegelijk met het sluiten van open vuilstortplaatsen en het teruglopen van de hoeveelheid vis die overboord gaat. In kolonies van sterns en alken wordt hij zelf bestreden, omdat hij daar eieren en jongen wegneemt.
Wetenschappelijke naam
Larus marinus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus marinus; ze staat nog altijd in het geslacht waarin hij haar plaatste, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Larus is de Latijnse vorm van het Griekse laros, bij de klassieke schrijvers een niet nader bepaalde zeevogel. marinus betekent eenvoudig 'van de zee'. Linnaeus gaf Europa als herkomst op; de typelocatie is later vastgelegd op Gotland in Zweden.




