Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grutto

Grutto | Limosa limosa

Black-tailed Godwit | Aguja colinegra

De grutto is in Noord-Amerika geen broedvogel maar een gast van overzee: een slanke, langpotige grutto met een kaarsrechte snavel, die in de vlucht een brede witte vleugelstreep en een scherp afgesneden zwarte staartband laat zien. In het voorjaar trekt een klein aantal Aziatische vogels bijna jaarlijks door de Aleoeten; aan de Atlantische kust duikt af en toe een IJslandse vogel op. Het is de zeldzaamste van de vier grutto's van dit werelddeel.

Grutto (Limosa limosa)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, nasaal wieka-wieka-wieka met de klemtoon op de eerste lettergreep, dat vooral bij opvliegen en bij onraad klinkt. Daarnaast een korter, hoger kwie-kwie als contactroep binnen een groep. Boven het broedgebied, dat buiten dit werelddeel ligt, zingt het mannetje in een schommelende baltsvlucht een aanhoudend grut-to grut-to, dat de Nederlandse naam heeft opgeleverd. Een dwaalgast is meestal stil en verraadt zich zelden met geluid.

Luister: ZangXC1094250

Opname: Jens Schöller — CC BY-NC-SA 4.0 · Cham, Upper Palatinate, Bavaria, Germany · xeno-canto

Herkenning

Een grote, slanke grutto met lange poten, een lange hals en een kaarsrechte snavel die aan de basis roze en aan de punt zwart is. In het broedkleed zijn kop, hals en borst warm oranjebruin, met zwarte dwarsbanden over de flanken en een witte buik; het mannetje is feller en kleiner, het vrouwtje bleker, groter en langer van snavel. Buiten de broedtijd is de vogel van boven effen grijsbruin en van onderen licht, zonder streping — dat egale grijs onderscheidt hem meteen van de rosse grutto. In de vlucht is hij herkenbaar aan: een brede witte streep over de hele vleugel, een witte stuit, een scherp afgesneden zwarte staartband en poten die ver achter de staart uitsteken. Jonge vogels hebben een warme oranje waas over hals en borst en netjes gezoomde dekveren.

Verwarrings­soorten

De rosse grutto (Limosa lapponica) heeft een licht opgewipte snavel, kortere poten, geen witte vleugelstreep en een fijn dwars gebandeerde staart, en is buiten de broedtijd van boven gestreept in plaats van egaal. De rode grutto (L. haemastica), de soort die in dit werelddeel broedt, heeft een smallere witte vleugelstreep en een zwarte ondervleugel, terwijl die hier wit is. De marmergrutto (L. fedoa) is in alle kleden warm kaneelbruin met kaneelkleurige ondervleugels en mist het zwart-wit in vleugel en staart. Bij een zittende vogel is de effen grijze bovenzijde het snelste kenmerk; vliegt hij op, dan beslist de brede witte vleugelstreep.

Leefgebied

Op doortrek en in de winter een vogel van ondiep zoet en brak water: ondergelopen weiland, rijstvelden, kleiputten, de randen van lagunes en de bovenrand van slikplaten. Hij waadt dieper dan de meeste steltlopers en steekt de snavel tot aan de ogen in de modder, soms met de hele kop onder water. Op de broedplaatsen in Eurazië hoort hij thuis in natte, kruidenrijke hooilanden en zeggemoerassen, en juist die zijn in West-Europa grotendeels verdwenen. De vogels die in Noord-Amerika opduiken staan doorgaans op een kwelder of een ondergelopen veld tussen andere steltlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van IJsland en West-Europa oostwaarts door Centraal-Azië tot Mongolië en het Russische Verre Oosten, en overwintert in West-Afrika, rond de Middellandse Zee, in Zuid-Azië en in Australië. In Noord-Amerika broedt hij niet: de vogels die hier komen zijn gasten van overzee. In het voorjaar trekt een klein aantal Aziatische vogels vrijwel jaarlijks door de Aleoeten, en dat is de enige plek in het werelddeel waar hij met enige regelmaat wordt gezien. Aan de Atlantische kust gaat het om losse gevallen van Newfoundland tot Florida, en bij hoge uitzondering ook aan de Golfkust en in het binnenland. Het beeld is de laatste decennia niet wezenlijk veranderd, al worden vogels sneller gevonden nu er meer wordt gekeken.

Waar en wanneer kijken

Wie hem in Noord-Amerika wil zien moet in de tweede helft van mei op Attu of Adak zijn en de ondergelopen velden en kwelders afzoeken; dat is de enige plaats waar hij bijna elk jaar wordt gevonden. Elders geldt: zoek in een groep grutto's naar de vogel met de kaarsrechte snavel en de effen grijze rug, en wacht op de vlucht. Een brede witte vleugelstreep met een zwarte staartband hoort bij geen enkele andere grutto van dit werelddeel.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op 450.000 tot 585.000 volwassen vogels en neemt af; over drie generaties gaat het om ongeveer een kwart, genoeg voor de status gevoelig (NT) op de Rode Lijst. De oorzaak ligt in Europa: het draineren, egaliseren en vroeg maaien van natte hooilanden laat te weinig kuikens vliegvlug worden. Daarbij komt de jacht, die alleen in Frankrijk jaarlijks zesduizend tot achtduizend vogels kost. Voor het beeld in Noord-Amerika maakt dat weinig verschil; het gaat hier om enkele vogels per jaar.

Wetenschappelijke naam

Limosa limosa | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Limosa, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Limosa werd in 1760 ingevoerd door Brisson en komt van het Latijnse limus 'slijk'; de soortnaam is hetzelfde woord in bijvoeglijke vorm en betekent 'modderig'. De naam zegt dus twee keer hetzelfde: de vogel van de modder. Linnaeus gaf als herkomst Europa; de typelocatie is later tot Zweden beperkt.