Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Marmergrutto

Marmergrutto | Limosa fedoa

Marbled Godwit | Aguja Canela

De grootste grutto van het werelddeel: een kaneelkleurige steltloper met een lange, licht opgewipte snavel die roze begint en zwart eindigt. Hij broedt op de kortgrasprairie van de noordelijke Great Plains, ver van zout water, en brengt de winter door op de wadplaten van beide kusten. In de vlucht licht de onderkant van de vleugel warm kaneelbruin op — het kenmerk dat hem op afstand verraadt.

Marmergrutto (Limosa fedoa)
Foto: Russ — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Boven de prairie draait het mannetje in wijde kringen en herhaalt daarbij een luid, nasaal ra-di-ka ra-di-ka dat ver over het gras draagt. Bij het nest en bij een naderende mens klinkt een hard, hakkelend kek-kek-kek, in korte reeksen aangehouden zolang de indringer blijft. De gewone roep, ook buiten de broedtijd te horen, is een luid nasaal kerr-wit waarin de Engelse naam van de groep te herkennen valt. Een groep op de wadplaat is verder stil; het zijn de vogels die opgaan die roepen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote steltloper met een klein rond kopje, een lange hals en een snavel die bijna twee koplengtes haalt en heel licht naar boven buigt; de basis is roze tot oranje, het laatste deel zwart. In broedkleed is het hele verenkleed dicht dwarsgebandeerd in bruin, zwart en kaneel, ook op borst en flanken. In winterkleed valt die bandering op de onderzijde weg en blijft een egaal kaneelbeige vogel over met een fijn gevlekte bovenzijde. In de vlucht is er geen vleugelstreep en geen witte stuit; wat opvalt is de warm kaneelkleurige ondervleugel en de kaneelkleurige basis van de handpennen. Het vrouwtje is groter dan het mannetje en heeft een merkbaar langere snavel. De poten steken in de vlucht voorbij de staart uit.

Verwarrings­soorten

De amerikaanse wulp (Numenius americanus) is even groot en even kaneelkleurig maar heeft een lange, sterk naar beneden gebogen snavel. De rode grutto (Limosa haemastica) is kleiner, heeft een zwarte ondervleugel en toont in de vlucht een witte stuit met een brede zwarte staartband. De rosse grutto (L. lapponica) draagt een witte wig tot op de rug en een fijn dwarsgebandeerde staart, en mist de kaneelkleurige ondervleugel. De willet is korter van snavel en grijzer, en laat bij het opvliegen een breed zwart-wit vleugelpatroon zien dat de marmergrutto niet heeft.

Leefgebied

In de broedtijd kortgrasprairie met blauwgrama en naaldgras, met ondiepe poelen of prairiemoerasjes in de buurt, al ligt het nest vaak honderden meters van het water. Hoog en dicht gras mijdt hij; wat hij nodig heeft is overzicht. Buiten de broedtijd is hij een vogel van slik en zout water: wadplaten in estuaria en baaien, zoutpannen, lagunen en de rand van de kwelder, en zandstrand alleen waar er slik naast ligt. Hij foerageert tot vijf centimeter diep in het water en steekt daarbij regelmatig de hele kop onder.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het zwaartepunt van de broedvogels ligt op de noordelijke Great Plains: Montana, de beide Dakota's, westelijk Minnesota, Alberta, Saskatchewan en Manitoba. Daarbuiten broeden twee kleine, geheel losstaande groepen, één op de toendra aan James Bay in Ontario en één op het schiereiland Alaska. In de winter zit het merendeel langs de Stille Oceaan van Washington tot Neder-Californië en westelijk Mexico, met een tweede zwaartepunt aan de Golf van Mexico en aan de Atlantische kust van de Carolina's tot Florida; een klein deel gaat verder dan Panama. Het areaal is in de negentiende en twintigste eeuw ingekrompen toen de prairie onder de ploeg ging: als broedvogel is hij uit Iowa en uit het zuiden van de Grote Meren verdwenen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de winter bij opkomend tij aan de rand van een wadplaat staan: de marmergrutto is daar de grote, warmbruine vogel tussen de willets en de wulpen, en hij blijft doorsteken als het water al om zijn buik staat. Wacht tot de groep opgaat — de kaneelkleurige ondervleugel is dan op honderden meters nog te zien en beslist de soort in één keer. Op de prairie is mei de maand: het mannetje draait dan hoog boven het gras zijn kringen.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als gevoelig. De broedpopulatie wordt op ongeveer 170.000 vogels geschat en de kwetsbaarheid zit in de beperkte omvang van het areaal: twee van de drie broedgroepen zijn klein en geïsoleerd, en in de winter zit een groot deel van alle vogels op een handvol estuaria. Het omzetten van inheemse prairie in akkerland heeft het broedgebied verkleind. Aan de kust is de oppervlakte slik afgenomen: die van de Baai van San Francisco ging tussen 1800 en 2000 van ruim 8.000 naar bijna 5.000 hectare.

Wetenschappelijke naam

Limosa fedoa | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Fedoa, bij de snippen; omdat ze later in het geslacht Limosa is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht werd in 1760 ingevoerd door Brisson en gaat terug op het Latijnse limosus, 'modderig', naar de grond waarin de vogel zijn voedsel zoekt. fedoa is een oude Engelse boeknaam voor een grutto, die Turner in 1544 al gebruikte; waar het woord zelf vandaan komt is niet bekend. Het beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika, en de typelocatie is later vastgelegd op Hudson Bay, naar de plaat bij Edwards waarop Linnaeus zich baseerde.