Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Rode Grutto

Rode Grutto | Limosa haemastica

Hudsonian Godwit | Aguja Café

Een grutto van het hoge noorden die in Noord-Amerika bijna alleen als doortrekker te zien is: in het voorjaar baksteenrood van onderen, in het najaar grauwbruin. Hij broedt in enkele ver uiteen liggende gebieden aan de boomgrens en vliegt in het najaar vanaf James Bay in één ruk over de oceaan naar het zuiden van Zuid-Amerika. In de vlucht is de ondervleugel zwart en draagt de witte stuit een brede zwarte staartband.

Rode Grutto (Limosa haemastica)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten het broedgebied is het een stille vogel; wat je hoort is een zacht, hoog toe-wit van een opvliegende groep, twee lettergrepen met de klemtoon achteraan. Boven het broedterrein stijgt het mannetje op trillende vleugels en herhaalt datzelfde motief tientallen keren achtereen, sneller en luider naarmate hij hoger komt. Bij het nest en bij jongen klinkt een scherp, hard keh-keh-keh, dat aanhoudt zolang er een jager of een vos in de buurt is. Een foeragerende groep op de trek zwijgt vrijwel geheel, en de roep valt pas op het moment dat de vogels opgaan.

Luister: ZangXC1063392

Opname: Avery Bartels — CC BY-NC-SA 4.0 · Old Crow, Yukon, Canada · xeno-canto

Herkenning

In broedkleed is het mannetje van onderen diep roodbruin met fijne donkere dwarsstreping en de bovenzijde zwartbruin met goudbruine veerzomen; het vrouwtje is groter, valer en veel minder rood. De snavel is lang, recht tot licht opgewipt, met een roze tot oranje basis en een donkere punt. In de vlucht beslist het patroon: een smalle witte vleugelstreep, een witte stuit, een brede zwarte staartband en een zwarte ondervleugel. In winterkleed is de vogel egaal grijsbruin van boven en lichter grijsbruin van onderen, met een lichte wenkbrauwstreep en verder weinig tekening. Jonge vogels lijken op de wintervogel maar hebben lichte veerzomen die de bovenzijde geschubd maken. De poten zijn donker en steken in de vlucht ruim voorbij de staart uit.

Verwarrings­soorten

De marmergrutto (Limosa fedoa) is duidelijk groter, in alle kleden kaneelkleurig, en heeft een kaneelkleurige ondervleugel zonder witte stuit of zwarte staartband. De rosse grutto (L. lapponica) heeft een witte wig die tot op de rug doorloopt en een fijn dwarsgebandeerde staart in plaats van een egale zwarte band. De grutto (L. limosa), in Noord-Amerika een dwaalgast, heeft een brede witte vleugelstreep en witte ondervleugels — precies het omgekeerde van de zwarte oksel van de rode grutto. Een groep in winterkleed lijkt op afstand op grote geelpootruiters; die hebben gele poten, een lichte gestreepte stuit zonder zwarte staartband en een driedelige roep.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Hij broedt op de natte overgang van boreaal bos naar toendra: veenmosbult en zeggemoeras met open water, meestal binnen enkele kilometers van de boomgrens. Op de voorjaarstrek door het binnenland gebruikt hij ondiepe prairiemeertjes, drassige weiden en ondergelopen akkers, waar hij tot aan de buik in het water staat te steken. In het najaar zit vrijwel de hele populatie op de uitgestrekte slikplaten van James Bay en de zuidkust van de Hudsonbaai. Diep water en gesloten bos mijdt hij; wat hij zoekt is een zachte bodem met een dunne laag water erover.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Er zijn enkele van elkaar gescheiden broedgebieden: zuidwestelijk en zuid-centraal Alaska, de Mackenziedelta in de Northwest Territories, en de zuidwestkant van de Hudsonbaai in Manitoba. De voorjaarstrek loopt vrijwel geheel over land, via de kust van Texas en de Great Plains naar het noorden, in een smalle en korte golf in mei. In het najaar verzamelt de soort zich aan James Bay en vliegt van daar in één vlucht over de Atlantische Oceaan naar het zuiden, zodat hij aan de oostkust van de Verenigde Staten alleen in kleine aantallen wordt gezien. Overwinterd wordt op de wadplaten van Chiloé in Chili, van Vuurland en van de Baai van Samborombón in Argentinië; dat gebied valt buiten deze kaart. Rond 1900 gold de soort na de jacht als vrijwel verdwenen, tot in het midden van de twintigste eeuw bleek dat er zich nog duizenden aan James Bay verzamelden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Begin mei op de kustprairie van Texas en verder noordwaarts door Kansas, Nebraska en de Dakota's, op een ondergelopen weiland of een prairiemeertje: de mannetjes zijn dan baksteenrood en van ver te herkennen. Laat de groep opgaan en kijk naar de oksel — pikzwart onder de vleugel, witte stuit, brede zwarte staartband, en er blijft niets anders over. In augustus en september is James Bay de plaats, en daar staan er duizenden bij elkaar.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert de soort als kwetsbaar (VU), en in de Noord-Amerikaanse stand van zaken van 2025 staat ze in de zwaarste categorie: meer dan de helft van de vogels is in vijftig jaar verdwenen. De broedpopulatie wordt op ongeveer 77.000 vogels geschat. De kwetsbaarheid zit in de concentratie: bijna alle vogels gebruiken in het najaar dezelfde slikplaten en in de winter een handvol baaien. Daarbij komen de jacht in Zuid-Amerika, het droogleggen van moerassen op de trekroute, olie- en gaswinning bij de broedgebieden en de verschuiving van de boomgrens.

Wetenschappelijke naam

Limosa haemastica | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Scolopax Haemastica, bij de snippen; sinds ze in het geslacht Limosa is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Limosa komt van het Latijnse limosus, 'modderig', en werd in 1760 ingevoerd door Brisson. haemastica gaat terug op het Griekse haimastikos, 'bloedrood', naar de kleur van de onderzijde in broedkleed. Het beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika; de typelocatie is later vastgelegd op Hudsonbaai, naar de plaat bij Edwards die Linnaeus gebruikte.