Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › ʻIʻiwi
ʻIʻiwi | Drepanis coccinea
ʻIʻiwi | ʻIʻiwi
De ʻiʻiwi is de scharlakenrode honingkruiper van Hawaï: zwarte vleugels en staart, en een lange, zalmroze sikkelsnavel waarmee hij tot in de bloemen van de ʻohiʻa lehua reikt. Hij is het levende zinnebeeld van het Hawaïaanse bergbos, en tegelijk de vogel die het duidelijkst laat zien wat een ingevoerde mug met een eilandfauna doet: hij houdt alleen nog stand boven de hoogte waar het te koel is voor malaria.
Geluid
Een ʻiʻiwi klinkt als een roestig scharnier: een reeks krassende, piepende en gorgelende noten zonder melodie, rustig achter elkaar gezet met seconden stilte ertussen. Tot de roepen horen een metalen iek of koe-iek, een lang oplopend nasaal geluid en een kort bieb-bieb. Beide geslachten zingen, het hele jaar en het meest van oktober tot december, en beide bootsen andere vogels na. Ook de vleugels maken geluid: een luid fladderend geruis waarmee hij rivalen uit een bloeiende boom jaagt en dat hem vaak eerder verraadt dan zijn stem.
Opname: Patrick Blake — CC BY-NC-SA 4.0 · Alaka'i Wilderness Preserve, Halepa'akai Stream, Kauai, Hawaii, United States · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, felle vogel: het hele lichaam vermiljoenrood, de vleugels en de staart zwart, met een witte vlek op de vleugel die in vlucht kan oplichten. De snavel is lang, dun en sterk gebogen, zalmroze tot oranje tegen het rood, en bijna zo lang als de kop. Man en vrouw zien er gelijk uit; het mannetje is iets groter en langer van snavel. Jonge vogels zijn totaal anders: gevlekt geelgroen met een oranje waas en donkere vlekken, met een dofgele snavel, en ze kleuren pas in hun eerste jaar uit. In een bloeiende boomkroon hangt hij vaak ondersteboven om bij de bodem van de bloem te komen.
Verwarringssoorten
De ʻapapane (Himatione sanguinea) is de enige echte verwarringssoort: ook rood en in hetzelfde bos, maar kleiner, dieper karmijn in plaats van vermiljoen, met een korte, nauwelijks gebogen zwarte snavel en met wit onder buik en staart. Jonge ʻiʻiwi's, die geelgroen en gevlekt zijn, worden aangezien voor ʻamakihi's; die hebben een veel kortere en veel minder gebogen snavel. Verder is er in het Hawaïaanse bergbos weinig wat op een ʻiʻiwi lijkt.
Leefgebied
Inheems bergregenwoud van ʻohiʻa lehua en koa (Acacia koa, een inheemse Hawaïaanse boom), en op de droge hellingen van Mauna Kea het bos van mamane. Hij volgt de bloei: buiten de broedtijd zwerft hij over grote afstanden en daalt hij naar lagere bossen zodra daar iets bloeit, om weer te stijgen als het hoger begint. Tegenwoordig zit hij vrijwel uitsluitend tussen 1.300 en 1.900 meter — niet omdat hij het daar het beste heeft, maar omdat het lager warmer is en er dan muggen zijn. Uitheems bos en ontgonnen land gebruikt hij nauwelijks.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Endemisch op de Hawaïaanse eilanden. Verreweg de meeste vogels leven in de bergbossen van het eiland Hawaï; op oostelijk Maui is een kleine populatie over, op Kauaʻi zijn er nog maar enkele honderden, en op Oʻahu, Molokaʻi en Lanaʻi is hij verdwenen of vrijwel verdwenen. Vroeger kwam hij op alle grote eilanden tot in het laagland voor, en zijn veren werden bij duizenden verwerkt in de mantels en helmen van de Hawaïaanse hoofdenstand. De ineenstorting van de lage populaties viel samen met de vestiging van de ingevoerde huissteekmug na 1826.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
De zekerste plekken liggen hoog op het eiland Hawaï: het reservaat Hakalau aan de oostflank van Mauna Kea en de bosweg boven Volcanoes National Park, en op Maui het pad bij Hosmer Grove in Haleakala, alle vroeg in de ochtend. Zoek een ʻohiʻa lehua in volle bloei en blijf erbij staan: alle nectarvogels van het bos komen er langs, en de ʻiʻiwi kondigt zich aan met het geruis van zijn vleugels. Zingen doet hij het meest van oktober tot december.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU). De IUCN schat de populatie op 250.000 tot 500.000 volwassen vogels, bijna allemaal op het eiland Hawaï, en verwacht dat daarvan tegen 2030 dertig tot vijftig procent verdwenen is. De oorzaak is vogelmalaria, overgebracht door de huissteekmug (Culex quinquefasciatus), die in 1826 met een schip op Maui aan land kwam: van de besmette ʻiʻiwi's sterft ongeveer 94 procent, meer dan bij welke andere honingkruiper ook. Zolang het boven de duizend meter te koel was voor de mug bleef er een veilige gordel bos over, maar met de opwarming schuift de muggengrens jaar na jaar hoger, en op Kauaʻi is de bovenkant van het bos al bereikt. Daarom worden sinds 2023 op Maui en Kauaʻi met drones mannetjesmuggen uitgezet die door een bacterie geen nakomelingen kunnen krijgen, om de muggenstand omlaag te brengen; daarnaast wordt inheems bos afgerasterd tegen varkens en opnieuw ingeplant.
Wetenschappelijke naam
Drepanis coccinea | (Forster, 1780)
Georg Forster beschreef de soort in 1780 als Certhia coccinea, bij de boomkruipers, naar een exemplaar van de derde reis van Cook; omdat ze later in Drepanis is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Drepanis werd in 1820 ingevoerd door Temminck, uit het Griekse drepane, 'sikkel', naar de gebogen snavel. coccinea is Latijn voor 'scharlakenrood'. Als typelocatie zijn de Hawaïaanse eilanden opgegeven; Stresemann opperde in 1950 dat het waarschijnlijk Kauaʻi was. In het Hawaïaans heet de vogel ʻiʻiwi, en het Nederlands, het Engels en het Spaans nemen die naam onveranderd over.

