Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleine Geelpootruiter

Kleine Geelpootruiter | Tringa flavipes

Lesser Yellowlegs | Archibebe patigualdo chico

De kleine geelpootruiter is de slanke, hoogpotige steltloper die in voor- en najaar op vrijwel elke ondiepe plas van het continent kan staan, van een rijstveld in Louisiana tot een bezinkveld achter een dorp. Hij broedt in de open plekken van het noordelijke naaldbos en trekt door tot in Vuurland, en hij legt daarmee een van de langste routes van alle Noord-Amerikaanse ruiters af. In vijftig jaar is meer dan de helft van de populatie verdwenen, en sinds kort staat hij als kwetsbaar te boek.

Kleine Geelpootruiter (Tringa flavipes)
Foto: CheepShot — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een zacht, vlak tjoe, meestal alleen of als tweeklank tjoe-tjoe, veel minder luid en minder doordringend dan het driedelige geroep van de grote geelpootruiter. Op de broedplaats roept een verontruste vogel vanaf een dode boomtop een aanhoudend, scherp kliep kliep kliep, dat minutenlang doorgaat zolang je in de buurt bent. Het mannetje draagt in een golvende zangvlucht boven het veen een rollend pil-e-wie pil-e-wie voor. Op de trek is het zachte enkele of dubbele tjoe vrijwel het enige wat je hoort, en het is meteen het handigste kenmerk: hoor je drie of vier luide noten, dan sta je bij de grote soort.

Luister: RoepXC1138540

Opname: Tony Rinaud — CC BY-NC-SA 4.0 · Middleton Island, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote ruiter met een tenger lichaam, een lange hals en lange, heldergele poten. De snavel is recht, dun en donker en niet langer dan de kop; hij is aan de basis niet lichter gekleurd. In broedkleed is de bovenzijde donkergrijsbruin met witte en zwarte vlekjes, en lopen fijne strepen over hals en borst met een paar donkere pijlpunten op de flanken. In winterkleed is hij veel gladder en egaler grijs, met een lichte wenkbrauwstreep en een witte buik. Jonge vogels zijn bruiner met nette lichte stippen langs de veerranden. In de vlucht valt een vierkant wit stuitvlak op tegen een verder donkere, streeploze vleugel, en steken de gele poten voorbij de staart uit; hij loopt met snelle stappen en pikt met korte, gerichte prikken van het wateroppervlak.

Verwarrings­soorten

De grote geelpootruiter (Tringa melanoleuca) is de soort waarmee hij dagelijks wordt verward. Kijk naar de snavel in verhouding tot de kop: bij de kleine is hij even lang als de kop, dun en kaarsrecht, bij de grote anderhalf maal zo lang, zwaarder, aan de basis lichter en iets opgewipt. Het geluid maakt het af: één of twee zachte noten tegenover drie tot vier luide. De Amerikaanse bosruiter is kleiner en donkerder, met een witte oogring, groenige poten en een donkere stuit. De grote franjepoot in winterkleed heeft eveneens lange poten maar een naaldfijne snavel, en zwemt draaiend rond in plaats van te waden.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Hij broedt in de open plekken van het boreale bos: veenmoerassen met verspreide sparren, oude brandvlaktes, natte zeggevelden en de randen van bosmeertjes en poelen. Op de trek en in de winter zoekt hij ondiep zoet water met een zachte bodem — overstroomde akkers, rijstvelden, drooggevallen oevers van stuwmeren, afvalwaterbekkens, drinkpoelen en de randen van kwelders. Diep water, branding en droog zand mijdt hij, en hij verkiest een handbreed water waarin hij tot boven de intertarsus kan waden. In het zuiden van het winterkwartier staat hij ook op slik langs de kust, maar zelden ver van zoet water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Alaska oostwaarts door Yukon, de Northwest Territories, Noord-Brits-Columbia en de prairieprovincies tot James Bay en het midden van Quebec. Vanaf half juli trekken de vrouwtjes als eerste weg, gevolgd door de mannetjes en pas veel later door de jonge vogels; de najaarstrek loopt breed over het hele continent, met een sterkere oostelijke stroom en oversteken over de Atlantische Oceaan naar de Caraïben. Hij overwintert langs de kusten van de zuidelijke Verenigde Staten, in heel Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben, en verder tot Vuurland, buiten dit gidsgebied. In het voorjaar gaat de trek geconcentreerder over het binnenland, met de Great Plains en de Mississippivallei als hoofdroute. Het areaal zelf is in de laatste eeuw nauwelijks verschoven; wel zijn de aantallen die erdoorheen bewegen sterk gedaald.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem van april tot mei en van juli tot oktober aan elke ondiepe, modderige waterrand: een overstroomde akkerhoek, een verlaagd stuwmeer of een bezinkveld levert vaak meer op dan de kust. Leg bij een groep geelpootruiters de snavel naast de kop: even lang betekent de kleine soort, anderhalf maal zo lang de grote — en dat werkt ook op afstand en op een foto. Wacht daarna op de roep, want één of twee zachte noten maken het geval rond. In het najaar staan de jonge vogels het langst door en zijn ze het minst schuw.

Staat van instandhouding

De soort staat als kwetsbaar (VU) te boek. De broedpopulatie wordt geschat op ongeveer 660.000 vogels, en meer dan de helft van het bestand is in vijftig jaar verdwenen, met een steile daling in het laatste decennium. Het verlies van ondiepe wetlands in het winterkwartier is de belangrijkste oorzaak; daarnaast wordt de soort in delen van de Caraïben en het noorden van Zuid-Amerika nog altijd bejaagd, en juist de vogels uit het oosten van het broedgebied komen door die gebieden. Omdat hij in kleine, ondiepe wateren leeft, kan hij plaatselijk goed worden geholpen: een laat leeggelaten bezinkveld of een natte akkerhoek in augustus levert direct rustplaatsen op.

Wetenschappelijke naam

Tringa flavipes | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax flavipes, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving staat in het tweede deel van de dertiende uitgave van het Systema Naturae, op bladzijde 659, met New York als typelocatie. flavipes is Latijn voor 'geelpotig', van flavus 'geel' en pes 'voet'. Het geslacht Tringa gaat terug op Linnaeus en is de Latijnse vorm van een Grieks woord voor een waterloper ter grootte van een lijster. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam noemen alle drie de gele poten en het verschil in formaat met de grote soort.