Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bosruiter

Bosruiter | Tringa glareola

Wood Sandpiper | Andarríos bastardo

De bosruiter is een Euraziatische steltloper die Noord-Amerika alleen aan de westrand raakt: hij is een jaarlijkse gast in kleine aantallen op de buitenste Aleoeten en de eilanden in de Beringzee, en heeft daar bij hoge uitzondering ook genesteld. Het is een slanke, donkere ruiter met een dicht wit gespikkelde rug, een lange lichte wenkbrauwstreep en olijfgele poten. Bij het opvliegen klimt hij steil weg met een scherpe, drielettergrepige roep.

Bosruiter (Tringa glareola)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is een hoog, scherp tjif-if-if van meestal drie snelle noten, dat hij bij het steil wegklimmen herhaalt tot hij uit het zicht is. Bij onrust bij het nest klinkt een aanhoudend, hard tjip-tjip-tjip, gegeven vanaf een boomtop of een paal. De zang is een jodelend tlie-a tlie-a tlie-a dat het mannetje voordraagt in een golvende vlucht boven het moeras, met opgeheven en dan stijf gestrekte vleugels. Dat geluid hoor je in Noord-Amerika hooguit op een Aleoetisch eiland in juni. Meestal is het de vluchtroep die de vogel verraadt, want in het gras is hij pas te zien als hij opgaat.

Luister: ZangXC1168658

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote, slanke ruiter met een rechte, dunne donkere snavel van ongeveer koplengte en middellange, geelgroene tot olijfgele poten. De bovenzijde is donker grijsbruin en over de hele rug en vleugel dicht bezaaid met kleine roomwitte vlekjes, zodat de vogel van dichtbij gespikkeld oogt. Kop en hals zijn fijn gestreept, de borst is licht gevlekt en gaat scherp over in een witte buik; boven het oog loopt een lange witte wenkbrauwstreep die tot ver achter het oog doorgaat. In de vlucht valt een vierkant wit stuitvlak op, een fijn gebandeerde staart, een egaal donkere bovenvleugel zonder streep en een lichte, grijswitte ondervleugel; de tenen steken voorbij de staart uit. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; jonge vogels zijn warmer bruin met okerkleurige in plaats van witte spikkels. Hij loopt bedachtzaam door ondiep water en wipt daarbij licht met kop en achterlijf.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse bosruiter (Tringa solitaria) is de tegenhanger van dit continent en lijkt sterk, maar heeft een donkere ondervleugel, een donkere stuit met witte, zwart gebandeerde buitenste staartpennen, een witte oogring en een korte wenkbrauwstreep die vóór het oog ophoudt. Bij T. glareola zijn stuitvlak en ondervleugel juist licht en loopt de wenkbrauwstreep ver naar achteren door. De kleine geelpootruiter is groter en langpotiger, met feller gele poten, een langere snavel en een veel gladdere, grijzere bovenzijde zonder dichte spikkeling. Een jonge oeverloper is korter van poot, houdt zijn lichaam laag en horizontaal en toont in de vlucht een witte vleugelstreep. De roep helpt: drie snelle scherpe noten wijzen op de bosruiter, één enkele hoge noot op de Amerikaanse bosruiter.

Leefgebied

In het broedgebied is hij een vogel van open, natte plekken in het naaldbos: veenmosveen, zeggemoeras, natte kapvlaktes en de drassige randen van bosmeertjes. Op doortrek en in de winter neemt hij elk zoet ondiep water met een zachte bodem: rijstvelden, drinkpoelen, sloten, bezinkvelden en de modderrand van een plas. Kale zandstranden, brede open wadplaten en diep water gaat hij uit de weg; hij houdt van dekking dichtbij, en verdwijnt bij verstoring in het gras of achter een oeverkantje. De vogels die in Alaska worden gevonden staan meestal aan een klein eilandplasje of in een natte veenkom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Schotland en Scandinavië oostwaarts door het binnenland van Noord-Rusland tot Oost-Siberië en Noordoost-China, en zuidwaarts tot Noord-Mongolië en de Commandeurseilanden. Het winterkwartier ligt in Afrika en van Zuid-Azië tot Zuid-Japan en Australië; Noord-Amerika ligt buiten die route. Toch bereikt de soort het continent elk jaar in kleine aantallen aan de Aziatische kant: op de buitenste Aleoeten, op Sint-Laurenseiland en op de Pribilofeilanden, soms in kleine groepjes, met een piek in de laatste week van mei en de eerste helft van juni. Op de Aleoeten is bij uitzondering ook gebroed. Verder oostwaarts is hij een echte dwaalgast, met verspreide gevallen tot aan de staat New York toe.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de laatste week van mei op de buitenste Aleoeten of bij Gambell, aan de rand van een eilandplasje of in een natte veenkom, en niet op het strand. Loop het terrein rustig af: hij zit laag en gaat pas op als je vlakbij bent, waarna hij steil wegklimt met drie scherpe noten — dat is het moment waarop de soort valt vast te stellen. Kijk dan naar het vierkante witte stuitvlak en de lichte ondervleugel, de twee kenmerken die hem van de Amerikaanse bosruiter scheiden. Wie hem buiten Alaska meldt, doet er goed aan die twee kenmerken op een foto te hebben.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie telt enkele miljoenen vogels en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek; in het westen van het areaal zijn de aantallen achteruitgegaan door het ontwateren van veen, verder oostwaarts is het beeld stabiel. Voor Noord-Amerika is er geen eigen beheeropgave, want er is hooguit incidenteel gebroed en de doortrek beperkt zich tot enkele tientallen vogels per jaar. De soort is wel een goede graadmeter voor hoeveel Aziatische steltlopers de Beringzee jaarlijks oversteken. De veentjes en plasjes op de Beringzee-eilanden die hij gebruikt zijn klein in oppervlak en snel verstoord.

Wetenschappelijke naam

Tringa glareola | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende uitgave van het Systema Naturae, op bladzijde 149, en gaf haar toen al de naam Tringa glareola; omdat het geslacht sindsdien niet is veranderd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Als typelocatie gold Europa, later beperkt tot Zweden. glareola is een verkleinvorm van het Latijnse glarea, 'grind', naar de grindige oevers waaraan de vogel is gezien. De naam Tringa is de Latijnse vorm van een Grieks woord voor een waterloper ter grootte van een lijster. De Nederlandse naam wijst op het broedgebied in het bos, wat voor deze familie ongewoon is.