Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Poelruiter
Poelruiter | Tringa stagnatilis
Marsh Sandpiper | Archibebe fino
De poelruiter is een steltloper van de steppemoerassen van Oost-Europa en Azië en hoort niet in Noord-Amerika thuis: hij staat er te boek als dwaalgast, met in ruim een eeuw enkele tientallen gevallen. Hij is de fijnst gebouwde van alle ruiters, met een naaldrechte zwarte snavel en poten die in verhouding tot het lichaam langer zijn dan bij welke soortgenoot ook. Wie hem in Noord-Amerika vindt, ziet hem meestal alleen: één bleke vogel tussen kleine geelpootruiters op een slikrand.
Geluid
De roep is een kort, scherp kjoep of tjoe, vaak in reeksen van twee tot vier, hoger en droger dan de drieklank van de groenpootruiter. Een opvliegende vogel geeft meestal één enkele noot en zwijgt daarna. Bij onrust op de broedplaats klinkt een aanhoudend kjek-kjek-kjek, en het mannetje draagt daar in een golvende zangvlucht een reeks jodelende tonen voor. In Noord-Amerika hoor je van deze soort in de regel niets, en gaat de melding op het beeld en niet op het geluid.
Opname: Julien Birard — CC BY-NC-SA 4.0 · Orko, Ndjamena Bilala, Fitri, Batha, Chad · xeno-canto
Herkenning
Een tengere ruiter met een naaldfijne, kaarsrechte zwarte snavel en lange geelgroene poten die in de vlucht ver voorbij de staart uitsteken. In winterkleed is hij lichtgrijs van boven met witte veerranden en helder wit van kop tot buik, met een wit voorhoofd en gezicht dat hem van een afstand bleek maakt. In broedkleed staan zwarte vlekken en pijlpunten op de mantel en zwarte strepen op hals en flanken. In de vlucht loopt een witte wig van de stuit tot ver op de rug, zoals bij de groenpootruiter, en blijft de vleugel egaal donker zonder streep. Man en vrouw zien er hetzelfde uit; jonge vogels zijn warmer bruin met scherpe lichte veerranden op de rug. Bij het lopen door ondiep water pikt hij snel en licht van het oppervlak, met een hoge, rechte houding op die lange poten.
Verwarringssoorten
De kleine geelpootruiter heeft feller gele poten, een dikkere en iets langere snavel, een grijzer gezicht en in de vlucht alleen een vierkant wit stuitvlak zonder wig over de rug. De groenpootruiter (Tringa nebularia) toont diezelfde witte wig maar is fors groter, met een zware, iets opgewipte snavel en grijsgroene poten. De grote franjepoot in winterkleed lijkt het meest op hem: even bleek, met een naaldfijne snavel, maar korter van poot, met een witte stuit zonder wig en met de gewoonte om zwemmend te draaien. Bij twijfel is de snavel beslissend: bij de poelruiter is hij dun, recht en niet langer dan anderhalve koplengte.
Leefgebied
In het broedgebied staat hij aan ondiepe, zoete of licht brakke steppemeren met lage, open oevervegetatie, en in natte graslanden daaromheen. Op de trek en in het winterkwartier gebruikt hij ondiepe binnenwateren: rijstvelden, zoutpannen, viskwekerijen, afvalwaterbekkens en de randen van meren en lagunen. Diep water, gesloten riet en kale zandstranden mijdt hij; wat hij zoekt is een handbreed water boven een zachte bodem. De weinige Noord-Amerikaanse vogels zijn in precies zulke terreinen gevonden, meestal in een bezinkveld of aan een ondiepe plas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Oost-Polen en de Baltische staten door Zuid-Rusland en Noord-Kazachstan tot het Amoergebied en Noordoost-China. De winter brengt hij door in Afrika en van Zuid-Azië tot Zuid-Japan, de Marianen en Australië. In Noord-Amerika is hij een dwaalgast zonder vast patroon: de meeste gevallen komen uit westelijk Alaska, met de Aleoeten en de Pribilofeilanden voorop, en verder zijn er waarnemingen uit Californië en één uit Neder-Californië in oktober 2011. Een vogel in zuidelijk Ontario trok eind april 2022 meer dan duizend waarnemers. Van broeden of van een regelmatige trekroute door Noord-Amerika is geen sprake.
Waar en wanneer kijken
Verwacht hem niet, maar herken hem als hij er staat: loop bij het nalopen van ondiepe plassen en bezinkvelden elke groep kleine geelpootruiters af op één bleker, fijner en langpotiger vogel. Let dan eerst op de snavel — dun als een naald en volkomen recht — en laat hem daarna opvliegen om de witte wig over de rug en de ver uitstekende tenen te zien. Het beste seizoen is dat van de andere Aziatische dwaalgasten: eind mei tot begin juni in westelijk Alaska, en in het binnenland vooral de late voorjaarstrek. Fotografeer de vogel staand én vliegend, want een melding van deze soort wordt op beide beelden beoordeeld.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op een paar honderdduizend vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek; de aantallen in het westen van het areaal zijn wel afgenomen door het droogleggen van steppemoerassen. Omdat er in Noord-Amerika geen broedvogels of vaste doortrekkers zijn, is er ook geen beheeropgave. Wat de gevallen wel opleveren is een aanwijzing dat de soort de Beringzee met enige regelmaat oversteekt. De ondiepe zoetwaterranden waar de dwaalgasten opduiken zijn dezelfde die voor de eigen steltlopers van het continent van belang zijn.
Wetenschappelijke naam
Tringa stagnatilis | (Bechstein, 1803)
Bechstein beschreef de soort in 1803 als Totanus stagnatilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving staat in het tweede deel van zijn Ornithologisches Taschenbuch von und für Deutschland, op bladzijde 292 met plaat 29, en Duitsland is de typelocatie. stagnatilis is Latijn voor 'van de plassen', van stagnum 'stilstaand water', naar het ondiepe water waarin hij foerageert. Het geslacht Tringa gaat terug op Linnaeus en is de Latijnse vorm van een Grieks woord voor een waterloper ter grootte van een lijster. De Nederlandse naam volgt de wetenschappelijke: de vogel van de poelen.




