Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kleinste strandloper
Kleinste strandloper | Calidris minutilla
Least Sandpiper | Correlimos menudillo
De kleinste strandloper is de kleinste steltloper ter wereld: een vogeltje van vijftien gram dat op geelgroene poten over de modder scharrelt. Hij is ook de meest verspreide van de kleine strandlopers van Noord-Amerika — van Alaska tot Nova Scotia broedend, van Oregon tot Brazilië overwinterend. Juist omdat hij overal is, valt hij zelden op.
Geluid
De vluchtroep is een hoog, ijl en licht oplopend krie-iep, langer aangehouden en minder hard dan het droge tsjiet van de alaskastrandloper; het is het geluid waarmee een opvliegende zwerm zich verraadt. Op de broedgronden zingt het mannetje tijdens een fladderende baltsvlucht een langgerekte reeks volle trillers, afgewisseld met hoge, dunne noten, minutenlang volgehouden. Bij gevaar bij het nest laat hij luide trillers horen terwijl hij een gewonde vogel nabootst en zich van het nest weg laat lokken. Het alarmroepje is een dun, gerekt siet, dat je op de toendra vaker hoort dan je de vogel ziet.
Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · Cavan-Monaghan (near Millbrook), Peterborough County, Ontario, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een minuscule strandloper met een donkerbruine bovenkant, een volledig gestreepte grijsbruine borstband en — het kenmerk waar alles om draait — geelgroene poten. De snavel is kort, fijn en aan de punt licht gebogen, duidelijk dunner dan bij de andere kleine strandlopers. In broedkleed is de bovenkant zwart met roestrode en kaneelkleurige veerzomen; jonge vogels zijn nog feller geschubd, met een lichte V op de mantel. In winterkleed is hij grauwbruin met een gestreepte, wat vuil ogende borst. Hij foerageert met gebogen rug en ingetrokken hals, veel gehurkter dan zijn verwanten, en toont in de vlucht een smalle witte vleugelstreep en een donkere middenstreep over de witte stuitzijden. Modder aan de poten maakt de pootkleur soms onbruikbaar; kijk dan naar dat gehurkte silhouet.
Verwarringssoorten
De grijze strandloper (Calidris pusilla) en de alaskastrandloper (Calidris mauri) hebben zwarte poten, zijn grijzer en witter en waden verder het water in. De kleine strandloper (Calidris minuta), een dwaalgast uit Eurazië, heeft eveneens zwarte poten, helderwitte onderdelen zonder borstband en een kaarsrecht snaveltje. De taigastrandloper (Calidris subminuta), in West-Alaska mogelijk, heeft ook gele poten maar staat rechtop op langere poten, met een langere hals, langere tenen en een opvallender wenkbrauwstreep die op het voorhoofd bijna samenkomt. De gestreepte strandloper (Calidris melanotos) heeft dezelfde gele poten maar is veel groter, met een borstband die scherp tegen de witte buik afsnijdt.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Op het broedgebied kiest hij natte zeggevelden, veenmosbulten, muskeg (drassig veenmoeras met sparren, kenmerkend voor het boreale Canada) en de vergraste randen van toendrapoelen, van de arctische kust tot ver in de boreale zone. Op trek en in de winter is hij de strandloper van de begroeide rand: modderige oevers met een pol gras erboven, ondergelopen weilanden, rijstvelden, sloten, kwelders en de achterkant van slikplaten. Hij mijdt de open, kale plaat waar de andere kleine strandlopers staan, en het brede open water helemaal. Daaruit volgt een vuistregel voor het veld: staat hij hoger op de kant dan de rest van de zwerm, dan is hij het waarschijnlijk.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van de oostelijke Aleoeten door Alaska en heel Canada oostwaarts tot Labrador, Newfoundland en Nova Scotia, en overwintert van Oregon en de zuidelijke Verenigde Staten door Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben tot noordelijk Zuid-Amerika, zuidwaarts tot Chili en Brazilië. Anders dan de meeste kleine strandlopers trekt hij op een breed front en gebruikt hij honderden kleine, verspreide pleisterplaatsen in plaats van een handvol grote — een strategie die hem minder kwetsbaar maakt voor het verlies van één gebied. De doortrek loopt van maart tot mei en van juli tot oktober, waarbij de volwassen vogels weken eerder zuidwaarts gaan dan de jongen. In het oosten van Noord-Amerika nemen de aantallen af, terwijl de populaties in het westen en midden van Canada stabiel lijken.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk niet op de open plaat maar op de bovenrand, waar het slik in gras overgaat: daar staan ze, gebogen en dicht bij dekking, terwijl de zwartpotige soorten in het water waden. Krijg je hem in het vizier, dan zijn twee kenmerken genoeg: geelgroene poten en een gestreepte borstband die over de hele breedte doorloopt. In het najaar is de eerste week van augustus in het binnenland vaak de beste tijd, wanneer de volwassen vogels al zuidwaarts trekken en de jongen nog moeten komen.
Staat van instandhouding
De populatie wordt op ongeveer 700.000 vogels geschat; vooral de vogels van Oost-Noord-Amerika gaan achteruit, en de soort staat inmiddels als gevoelig (NT) op de Rode Lijst. De belangrijkste bedreiging is het verlies en de verdroging van kleine binnenlandse moerassen en kustkwelders langs de hele trekroute. Omdat hij op zoveel plekken tegelijk pleistert, blijft de achteruitgang lang onopgemerkt: nergens verdwijnt in één keer een hele zwerm, alleen overal een beetje.
Wetenschappelijke naam
Calidris minutilla | (Vieillot, 1819)
Vieillot beschreef de soort in 1819 als Tringa minutilla; omdat ze later in het geslacht Calidris is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris, een woord waarmee Aristoteles grijze vogels van de waterkant aanduidde. minutilla is middeleeuws Latijn voor 'heel klein', een verkleinwoord van minutus, en het is bij deze soort letterlijk waar. Vieillot gaf als herkomst niet meer dan 'Amerika tot voorbij Canada'; de American Ornithologists' Union heeft de typelocatie later vastgelegd op Halifax in Nova Scotia.




