Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Kuifpapegaaiduiker

Kuifpapegaaiduiker | Fratercula cirrhata

Tufted Puffin | Frailecillo coletudo

In broedkleed is de kuifpapegaaiduiker gitzwart, met een wit masker, een oranjerode snavel als een geschilderd bordje en twee lange strogele kuiven die vanaf de ogen naar achteren krullen. De rest van het jaar draagt hij daar niets van en drijft hij als een donker, onopvallend vogeltje ver buiten de kust.

Kuifpapegaaiduiker (Fratercula cirrhata)
Foto: Gregory "Slobirdr" Smith — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij volledig; alles wat hij te zeggen heeft, zegt hij ondergronds. Uit het hol komt een laag, langgerekt errr-orrr, een geluid dat eerder aan een motor in de verte doet denken dan aan een vogel, en dat door de laag aarde erboven gedempt wordt. Wie over een kolonie loopt hoort het onder zijn voeten vandaan komen zonder ook maar één vogel te zien. Buiten het hol is hij vrijwel stom, zelfs als hij vlak langs je hoofd vliegt.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

In broedkleed is het lichaam geheel roetzwart, met een scherp begrensd wit gezicht en een hoge, zware snavel in oranjerood en geelgroen. Vanaf beide ogen loopt een bundel lange strogele veren over de nek naar achteren, die in de wind opwaait. De poten zijn feloranje en steken bij het opstijgen ver naar achteren uit. Buiten het broedseizoen valt dat alles weg: het gezicht wordt donkergrijs, de kuiven verdwijnen en de snavel is kleiner en doffer, zodat de vogel op zee nauwelijks nog als dezelfde soort te herkennen is. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn dof zwartbruin met een lichtere buik en een klein, donker snaveltje. In de vlucht is het een dikke, kortstaartige zwarte vogel die snel en laag over het water gaat.

Verwarrings­soorten

De gehoornde papegaaiduiker (Fratercula corniculata) deelt het witte gezicht maar heeft een witte buik, mist de kuiven en heeft een kleinere snavel; waar beide soorten samen broeden is de onderzijde het snelst te zien. De neushoornalk (Cerorhinca monocerata) is even donker en even gedrongen, maar heeft een vaalgele, spitse snavel met een hoorntje aan de basis en twee witte veerstrepen in het gezicht. De papegaaiduiker (F. arctica) van de Atlantische Oceaan komt in deze wateren niet voor en is bovendien wit van onderen. Op afstand is de combinatie van een geheel zwarte onderzijde en een dikke bleke kop uniek.

Leefgebied

Hij broedt op steile eilanden en kapen waar boven de rots een laag aarde met graspollen ligt waarin een hol te graven valt; kale klifranden zonder grond gebruikt hij niet. Gefoerageerd wordt op zee, boven ondiepten en langs randen waar de stroming vis samendrijft, soms tientallen kilometers van de kolonie. Buiten het broedseizoen verlaat hij de kust volledig en leeft hij op de open oceaan, ver buiten het zicht van land. Kolonies houden alleen stand op eilanden zonder ratten of vossen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In Noord-Amerika broedt hij van de Beringzee en de Aleoeten langs de kust van Alaska zuidwaarts door Brits-Columbia, Washington en Oregon tot in Californië, waar de laatste kolonies bij de Farallon-eilanden liggen. Het zwaartepunt ligt in Alaska; naar het zuiden toe wordt hij snel schaarser. Langs die zuidrand is het aantal kolonies in honderd jaar sterk gekrompen — in Washington van vierenveertig bekende broedplaatsen naar negentien. Buiten het broedseizoen verspreidt de hele populatie zich over de noordelijke Grote Oceaan en is hij nergens aan land te vinden; de kaart toont daarom alleen de kust waar hij nestelt.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga tussen mei en augustus met een boot naar een kolonie-eiland en kijk in de eerste uren na zonsopgang: dan komen de vogels van zee terug, cirkelen ze in brede rondjes voor de helling en landen ze met de snavel vol vis. Later op de dag zit het merendeel in het hol en lijkt het eiland leeg. Vanaf het vasteland is hij zelden te zien; een enkele keer draagt een storm in de nazomer een vogel binnen bereik van een kaap.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ruim twee miljoen broedvogels geschat, verreweg de meeste in Alaska, en de Rode Lijst noemt de soort niet bedreigd (LC). Aan de zuidrand is het beeld anders: in Washington daalde het aantal van ruim drieëntwintigduizend vogels rond 1980 naar krap drieduizend in 2009, en daar staat hij als endangered (bedreigd) op de deelstatelijst van Washington. Een verzoek om hem in de Verenigde Staten federaal te beschermen werd in 2020 afgewezen, omdat het areaal als geheel intact bleef. De bedreigingen zijn ingevoerde ratten en vossen op broedeilanden, opwarmend zeewater dat de visstand verschuift, en plastic in het voedsel.

Wetenschappelijke naam

Fratercula cirrhata | (Pallas, 1769)

Pallas beschreef de soort in 1769 als Alca cirrhata; sinds ze bij Fratercula is ondergebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Fratercula is middeleeuws Latijn voor 'broedertje', naar een zwart-wit verenkleed dat aan een monnikspij doet denken; het geslacht werd in 1760 ingevoerd door Brisson. cirrhata komt van het Latijnse cirrus, 'haarlok', en slaat op de gele kuiven. De typelocatie is de zee tussen Kamtsjatka, Amerika en de Koerilen — de vogel is dus vanaf de Russische kant van de Grote Oceaan beschreven.