Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Neushoornalk

Neushoornalk | Cerorhinca monocerata

Rhinoceros Auklet | Alca unicórnea

De neushoornalk is de eerste alk van deze gids: een gedrongen, roetgrijze zeevogel van de noordelijke Grote Oceaan met een zware oranje snavel. Broedvogels dragen op die snavel een rechtopstaande hoorn en twee dunne witte pluimen op de kop, allebei alleen in de zomer. Overdag zit hij ver uit de kust; naar zijn kolonie komt hij pas als het donker is.

Neushoornalk (Cerorhinca monocerata)
Foto: DickDaniels — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie is hij 's nachts luidruchtig: lage, nasale, loeiende roepen, afgewisseld met blaffen, grommen, balken, piepen en trompetteren, uit de gangen en vanaf de grond. Wie in het donker op een broedeiland staat, hoort een koor dat eerder aan vee dan aan vogels doet denken. Daarnaast ratelt hij met de snavel. Op zee zwijgt hij.

Luister: AlarmroepXC915711

Opname: KEISUKE KAGOSHIMA — CC BY 4.0 · Miyagi pref. Onagawa-town, Japan · xeno-canto

Herkenning

Een zware, kortnekkige alk met een dikke kop, brede spitse vleugels, korte poten en grote zwemvliezen. Het verenkleed is bewolkt grijsbruin, donkerder op de rug dan op de flanken en de buik, zonder scherpe grenzen. In broedkleed staan twee dunne witte pluimen op de kop — één boven het oog, één achter de snavelbasis — en op de oranjegele snavel een lichte, rechtopstaande hoorn. Buiten de broedtijd valt de hoorn af en zijn de witte pluimen veel zwakker; de vogel is dan bijna eenkleurig. Jonge vogels lijken op vogels in winterkleed maar hebben een kleinere, donkere snavel. Man en vrouw zijn niet uit elkaar te houden; mannetjes zijn ongeveer een tiende zwaarder.

Verwarrings­soorten

De kuifpapegaaiduiker (Fratercula cirrhata) is groter en zwarter, en zijn jonge vogels hebben net als de neushoornalk een donkere snavel — het verschil zit in de hogere, zwaardere snavel en de veel donkerder onderdelen van de papegaaiduiker. Cassins alk (Ptychoramphus aleuticus) is nog niet half zo groot, lichter grijs, met een lichte iris en een wit boogje boven het oog. De zeekoet (Uria aalge) is langer en slanker, met een lange spitse snavel en scherp afgetekende witte onderdelen. Op afstand helpt de vlucht: de neushoornalk vliegt zwaar en laag met snelle slagen, en heeft bij het opvliegen een lange aanloop over het water nodig.

Leefgebied

Hij broedt op eilanden voor de kust, in zelfgegraven gangen in de bodem van grazige of beboste hellingen, soms tot honderden meters van het water. In de broedtijd zoekt hij voedsel dicht bij de kolonie, bij getijstromen en opwellend water waar kleine vis samendrijft. Buiten de broedtijd trekt hij naar dieper water boven het plat en de plathelling, meestal buiten zicht van land. Dicht beboste eilanden zonder open bodem slaat hij over, en op vasteland met vossen of ratten broedt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt langs de noordelijke Grote Oceaan, van Sachalin, de Koerilen en Noord-Japan tot de Aleoeten, Zuid-Alaska, Brits-Columbia, Washington, Oregon en Californië. De grootste kolonies liggen op Triangle Island voor Vancouvereiland en op Protection Island en Destruction Island in Washington. In de winter trekken de noordelijke vogels weg en verspreiden zich over de kustwateren zuidwaarts tot het noorden van Neder-Californië. In het zuiden van het areaal blijft een deel het hele jaar in de buurt van de kolonie, zodat hij daar in elke maand op het water te vinden is.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem vanaf een veerboot of een walvistocht in de Salishzee, bij Monterey of voor de kust van Oregon: hij zit dan in kleine groepjes laag op het water en duikt weg zodra de boot te dichtbij komt. In het laatste uur voor donker verzamelen broedvogels zich in juni en juli op het water voor het eiland, met een dwarse rij visjes in de snavel — dat is het beste moment om de hoorn te zien. Aan land is hij overdag onvindbaar; alles gebeurt na zonsondergang.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie werd in 2017 op ongeveer anderhalf miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd (LC). De bedreigingen zijn die van elke alk met een grondnest: ingevoerde ratten, vossen en wasberen op broedeilanden, verdrinking in kieuwnetten, olie op zee en de verschuiving van visbestanden bij warm water. Waar ingevoerde roofdieren van een eiland zijn gehaald, komen de vogels terug.

Wetenschappelijke naam

Cerorhinca monocerata | (Pallas, 1811)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Alca monocerata; omdat ze later in een eigen geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht, Cerorhinca, werd in 1828 ingevoerd door Bonaparte en betekent 'hoornsnavel', van het Griekse keras (hoorn) en rhynchos (snavel). monocerata betekent 'eenhoornig' en doelt op hetzelfde uitsteeksel. Pallas noemde als typelocatie Kaap Sint-Elias en Kodiak, allebei in Alaska.