Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Marmeralk

Marmeralk | Brachyramphus marmoratus

Marbled Murrelet | Mérgulo jaspeado

De marmeralk is de zeevogel die in het bos broedt: geen kolonie op een klif, maar één ei op een dikke, met mos begroeide tak, hoog in een eeuwenoude naaldboom tot tachtig kilometer landinwaarts. Pas op 7 augustus 1974 werd in Big Basin Redwoods State Park in Californië het eerste nest gevonden, door een boomverzorger die op zesenveertig meter hoogte een donzig kuiken op een tak aantrof. Met het oude bos is ook de vogel verdwenen uit grote delen van zijn areaal; hij staat als bedreigd (EN) op de Rode Lijst.

Marmeralk (Brachyramphus marmoratus)
Foto: Matt Muir — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkende geluid is een hoog, doordringend kier-kier, dat in de schemering boven het bos klinkt wanneer de vogels van zee naar hun nestboom vliegen. In de vroege ochtend en het laatste licht van de avond roepen ze het al vliegend, vaak in tweeën of drieën, zodat het geluid boven de kronen langstrekt zonder dat je ooit de vogel ziet. Op het water is hij veel stiller en beperkt hij zich tot lage kreuntjes en dunne fluitjes tussen partners. Wie in de kustnaaldbossen op zoek is naar deze soort, zoekt in de praktijk met de oren.

Luister: RoepXC1153139

Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · Orick, Humboldt County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen zeevogel met een korte hals en korte staart, wat het lichaam een blokkig silhouet geeft, en met een dunne spitse snavel en betrekkelijk lange smalle vleugels. In broedkleed is hij warm bruin: donkerbruin op rug, vleugels en kruin, en van onderen bruin met witte en kaneelkleurige spikkels, waaraan hij zijn naam dankt. In winterkleed is hij donkergrijs boven en wit onder, met een witte vlek tussen snavel en oog, een witte streep op de schouder en een witte halsring die de donkere kruin van de donkere rug scheidt. Jonge vogels lijken op de winterse oudervogel maar hebben fijne donkere streepjes over het wit van de onderdelen. De vlucht is snel en laag over het water, met snorrende vleugelslagen en een zigzaggend spoor, zodat hij eerder aan een grote hommel doet denken dan aan een zeevogel.

Verwarrings­soorten

Kittlitz' alk (Brachyramphus brevirostris) is de meest gelijkende soort: die is in de zomer zandkleuriger en bleker met een lichter gezicht, heeft een merkbaar kortere snavel en witte buitenste staartpennen, en in de winter ligt zijn oog als een donkere vlek in een wit gezicht, terwijl de marmeralk daar een donkere kruin heeft die tot door het oog loopt. De Aziatische B. perdix is groter en langsnaviger en mist in winterkleed de witte halsring; hij verschijnt hoogst zelden aan deze kant van de Grote Oceaan. Kleine alkjes van het geslacht Synthliboramphus zijn schoner zwart-wit; de meeste zitten veel zuidelijker, en de zilveralk heeft een zwarte keel en grijze rug. In het zomerkleed is verwarring nauwelijks mogelijk: geen andere alk van deze kust is van boven tot onder bruin gemarmerd.

Leefgebied

Voedsel zoekt hij dicht bij de kust, vaak binnen een halve kilometer uit de wal, in beschutte baaien, zeestraten en fjorden, en boven de ondiepe bodem met kelp waar zandspiering en haring staan; af en toe duikt hij ook in zoetwatermeren vlak achter de kust. Broeden doet hij in oud en oorspronkelijk naaldbos, op een brede horizontale tak met een dikke moslaag, meestal in de bovenste helft van een oude spar, hemlock of Douglasspar. In het noorden van zijn areaal, waar zulk bos ontbreekt, legt hij het ei op de grond, tussen steenpuin op een kale berghelling. Jong, aangeplant en gedund bos gebruikt hij niet: hij heeft takken nodig die zwaar genoeg zijn om een nestkom van mos te dragen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij bewoont een smalle kuststrook van de Aleoeten en Zuid-Alaska via Brits-Columbia en Washington en Oregon tot Midden-Californië, en blijft daarbij zelden verder dan honderd kilometer van zee. Het grootste deel van de vogels blijft het hele jaar in dezelfde wateren; alleen uit de noordelijkste gebieden wijken ze in de winter uit als het ijs komt, en een deel schuift dan zuidwaarts tot voor Zuid-Californië. In de twintigste eeuw is het areaal in het zuiden sterk versnipperd geraakt: in Californië resteren nog maar enkele bosgebieden met broedvogels, en tussen Noord-Californië en Oregon zitten gaten waar vroeger bos stond. In Alaska, waar het meeste oude bos nog staat, is de soort nog altijd wijdverbreid.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet in het bos maar op het water: vaar of kijk bij het eerste licht over een beschutte baai in Zuidoost-Alaska, de Salishzee of Monterey Bay, en zoek naar paren die dicht bij elkaar op het water liggen en steeds tegelijk duiken. Wil je hem in het bos meemaken, ga dan een half uur voor zonsopgang in een open plek in oud kustnaaldbos staan en luister naar het kier-kier hoog over de kronen. Verwacht geen zicht: het gaat om het geluid en om een silhouet dat in enkele seconden voorbij is.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie ligt in de orde van enkele honderdduizenden vogels, maar de trend is neerwaarts en het zwaartepunt ligt in Alaska; in Californië, Oregon en Washington gaat het om een paar tienduizend vogels die al sinds 1992 onder de Amerikaanse wet als kwetsbaar (threatened) beschermd zijn. De belangrijkste oorzaak is het verdwijnen van oud kustnaaldbos: waar de dikke mostakken zijn gekapt, is er geen nestplaats meer, en versnipperd bos trekt kraaien en gaaien aan die eieren en jongen roven. Daarnaast verdrinken vogels in kieuwnetten, treffen olierampen hele deelpopulaties, en verschuift met warmer zeewater de aanvoer van zandspiering en haring. De IUCN rekent de soort tot de bedreigde soorten (EN).

Wetenschappelijke naam

Brachyramphus marmoratus | (Gmelin, 1789)

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Colymbus marmoratus, bij de duikers; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hij baseerde zich op een beschrijving van Thomas Pennant, wiens materiaal uit 'westelijk Amerika en Kamtsjatka' kwam; de typelocatie is later vastgelegd op Prince William Sound in Alaska. De geslachtsnaam Brachyramphus is gevormd uit het Griekse brakhus, 'kort', en rhamphos, 'snavel', naar de korte snavel van de alken in dit geslacht. Het epitheton marmoratus is Latijn voor 'gemarmerd', naar het gespikkelde zomerkleed, en de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam zeggen alle drie hetzelfde.