Alle soortenSteltloperachtigenAlken › Kittlitz' alk

Kittlitz' alk | Brachyramphus brevirostris

Kittlitz's Murrelet | Mérgulo piquicorto

Kittlitz' alk is de gletsjervogel onder de alken: hij vist in het troebele smeltwater vlak voor een gletsjerfront en legt zijn ene ei kilometers landinwaarts op kaal steenpuin hoog in de bergen, zonder nest en zonder buren. Waar andere alken in dichte kolonies op kliffen zitten, broedt hij solitair, in zulke lage dichtheden dat er in ruim honderd jaar maar enkele tientallen nesten zijn gevonden. Nu de gletsjers zich terugtrekken, verdwijnt precies het water waarin hij zijn voedsel vindt.

Kittlitz' alk (Brachyramphus brevirostris)
Foto: Wrangell-St. Elias National Park & Preserve — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hij is een van de zwijgzaamste alken; het meest gehoorde geluid is een lage, hese, langgerekte kreun of kras, aaahrr of urrhn, die over stil fjordwater ver draagt. Op het water klinkt daarnaast een korter, samengeperst urgh, meestal tussen twee vogels die samen foerageren. Boven het broedgebied in de bergen zwijgt hij vrijwel volledig, wat het zoeken naar nesten zo goed als onmogelijk maakt. Wie hem hoort, hoort dus bijna altijd een vogel op zee en niet een vogel bij het nest.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, gedrongen alk met een groot ogende kop, een opvallend korte snavel en een korte staart, waardoor hij compacter oogt dan zijn enige verwant. In het zomerkleed is hij bleek zandkleurig gemarmerd: bruin, grijs en goudachtig op kop, rug en vleugels, de onderdelen witachtig met bruine spikkels en strepen, en het gezicht duidelijk lichter dan de rest. In winterkleed is hij zwartgrijs boven met witgezoomde schouderveren, en zuiver wit op gezicht, keel en onderdelen, met alleen een klein donker vlekje vóór het oog; het donkere oog ligt daardoor als een stip in een wit gezicht. De buitenste staartpennen zijn wit, in de vlucht als een lichte staartrand te zien. Hij vertrekt snel van het water en vliegt laag over de golven op snorrende vleugels.

Verwarrings­soorten

De marmeralk (Brachyramphus marmoratus) is de enige echte verwarringssoort en overlapt met hem van Zuidoost-Alaska tot de Aleoeten. In de zomer is de marmeralk warmer en donkerder bruin met een donker gezicht, terwijl Kittlitz' alk bleek en zandkleurig is met een licht gezicht; de snavel is bij deze laatste zichtbaar korter. In de winter is het verschil het duidelijkst aan de kop: bij B. marmoratus loopt de donkere kruin door tot door het oog en is er een witte halsring, bij Kittlitz' alk staat het oog vrij in een wit gezicht. Let ook op de witte buitenste staartpennen, die de marmeralk mist. Op grote afstand, in tegenlicht of in mist blijven veel vogels van dit tweetal onbenoembaar; ze worden dan als Brachyramphus genoteerd.

Leefgebied

Op zee houdt hij zich op in beschutte baaien en fjorden met gletsjerwater, waar het smeltwater troebel en koud is en zandspiering, capelin en haring zich verzamelen; hij foerageert graag tussen drijvende ijsbrokken en voor de monding van gletsjerbeken. Broeden doet hij ver van dat water: op steile, onbegroeide berghellingen, steenpuin en morene boven de boomgrens, tot vijfenzeventig kilometer landinwaarts en tot ruim tweeduizend meter hoogte. Het ei ligt op kaal gruis of tussen korstmossen, zonder nestkom en zonder soortgenoten in de buurt. Bebost gebied, dichte begroeiing en open oceaan ver uit de kust gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal ligt rond de noordelijke Stille Oceaan: van Wrangeleiland, Tsjoekotka, Kamtsjatka en de noordelijke Zee van Ochotsk in Rusland oostwaarts over de Beringzee en de Aleoeten tot Zuidoost-Alaska. Binnen dit kaartvenster is Alaska het enige gebied waar hij regelmatig voorkomt, met de grootste concentraties in Prince William Sound, Kenai Fjords en Glacier Bay. Trekken doet hij nauwelijks: de meeste vogels blijven het hele jaar in de baaien van hun broedgebied en wijken alleen uit als de zee in het uiterste noordwesten dichtvriest. In de laatste decennia is het bezette gebied kleiner geworden doordat gletsjers zich uit de fjorden hebben teruggetrokken.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

De beste kans is een boottocht in juni of juli in Prince William Sound, Kenai Fjords of Glacier Bay, tot bij het gletsjerfront waar het water melkwit van gesteentemeel is. Zoek in dat troebele water naar kleine alken alleen of met z'n tweeën, en let op de bleke kop en de korte snavel; vergelijk elke vogel met de marmeralken die er meestal ook zitten. Neem er de tijd voor en fotografeer als het kan, want het onderscheid berust op kleur en snavellengte en niet op één opvallend kenmerk.

Staat van instandhouding

De schattingen lopen uiteen van ruim veertigduizend tot ongeveer tachtigduizend vogels, een klein aantal voor een zeevogel, en de trend is dalend; de IUCN noemt de soort gevoelig. In de kerngebieden Prince William Sound, Glacier Bay en Kenai Fjords zijn tellingen tussen de jaren tachtig en het begin van deze eeuw met tientallen procenten teruggelopen. De belangrijkste bedreiging is het terugtrekken van de gletsjers, waarmee het troebele, voedselrijke smeltwater verdwijnt; daarnaast verdrinken vogels in kieuwnetten en trof de olieramp met de Exxon Valdez in 1989 naar schatting vijf tot tien procent van de wereldpopulatie.

Wetenschappelijke naam

Brachyramphus brevirostris | (Vigors, 1829)

Nicholas Aylward Vigors beschreef de soort in 1829 als Uria brevirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Brachyramphus komt van het Griekse brakhus, 'kort', en rhamphos, 'snavel'; het epitheton brevirostris zegt in het Latijn hetzelfde, van brevis, 'kort', en rostrum, 'snavel'. Als typelocatie stond aanvankelijk San Blas in Mexico vermeld, maar dat berustte op een verwisseling; de vindplaats is later gecorrigeerd tot de noordelijke Stille Oceaan. De naam in het Nederlands en het Engels eert Friedrich Heinrich von Kittlitz, een Pruisische natuuronderzoeker die in de jaren twintig van de negentiende eeuw met een Russische expeditie het noorden van de Stille Oceaan bereisde.