Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Monniksparkiet

Monniksparkiet | Myiopsitta monachus

Monk Parakeet | Cotorra argentina

De monniksparkiet is de enige papegaai die zelf een nest van takken bouwt, en hij bouwt het samen met de buren: één bouwwerk kan de omvang van een kleine auto krijgen, met een stuk of twintig kamers en in het uiterste geval meer dan tweehonderd. Hij is grasgroen met een grijs voorhoofd en een grijze borst — de kap waaraan hij zijn naam dankt. Het nest is het hele jaar bewoond, ook in de sneeuw van Chicago en New York.

Monniksparkiet (Myiopsitta monachus)
Foto: Life is strange2 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid, schel en aanhoudend: een rauw, keelachtig kwak kwaki kwak-wi kwarr dat over een hele straat draagt, en een scherp skwiet bij het opvliegen. Een kolonie in bedrijf klinkt als een ruzie zonder einde; er wordt geroepen bij het aanvliegen, bij het slepen van takken en vanuit de nestkamers zelf. Anders dan bij de meeste zangvogels is het midden op de dag het luidst, en in de winter net zo goed als in het voorjaar. Wie de soort in een stad zoekt, hoort hem bijna altijd eerder dan hij hem ziet.

Luister: RoepXC1180049

Opname: Joan Theng — CC BY-NC-SA 4.0 · Marina Grove, Singapore · xeno-canto

Herkenning

Fel grasgroen op kop, rug en vleugelboeg, met een lichtgrijs voorhoofd, grijze wangen en een grijze, fijn geschubde keel en borst; de buik is geelgroen. In de vlucht vallen de donkerblauwe slagpennen op en de lange, spitse staart, die bijna de helft van de vogel uitmaakt. De snavel is zwaar en oranje-hoornkleurig, de poten zijn grijs. Mannetje en vrouwtje zijn in het veld niet te onderscheiden; vrouwtjes zijn gemiddeld iets kleiner, maar dat verschil is te klein om op af te gaan. Jonge vogels hebben een groenere waas over het voorhoofd. De vlucht is snel, recht en laag, met korte snelle vleugelslagen, meestal in luidruchtige groepjes van een handvol vogels.

Verwarrings­soorten

De andere ingeburgerde parkieten van dezelfde steden zijn kleiner en missen de grijze borst: de witvleugelparkiet en de chiririparkiet (Brotogeris) zijn korter van staart en tonen in de vlucht een geel of wit vleugelvlak. De halsbandparkiet, ingeburgerd in Californië en op Hawaï, is slanker, veel langer van staart en heeft een rode snavel; het mannetje draagt een zwart-roze halsring. Grote groene papegaaien als de groenwangamazone hebben een korte, brede staart, rood op de kop en een veel logger vluchtbeeld. Twijfel je, kijk dan naar de borst: grijs met schubben is alleen de monniksparkiet.

Leefgebied

Steden, buitenwijken, parken, begraafplaatsen en universiteitsterreinen, waar hoge palmen, oude bomen en voederplanken bij elkaar staan; daarnaast boerenland met bomenrijen, ranchgebouwen en graansilo's. Voor het nest kiest hij een hoge, vrijstaande plek waar geen klimmend roofdier bij kan: palmkruinen, lantaarnpalen, zendmasten, stadionverlichting en vooral de stalen constructies van transformatorstations. Gesloten bos gebruikt hij niet, en ver van menselijke bebouwing komt hij in dit gebied nauwelijks voor. In zijn oorspronkelijke gebied bewoont hij open, droog boomland en savanne.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Zijn oorspronkelijke gebied ligt in Zuid-Amerika, van Bolivia en Zuid-Brazilië tot in Midden-Argentinië; dat valt buiten het gidsgebied. In Noord-Amerika begon hij als kooivogel: tussen 1960 en 1980 werden er duizenden ingevoerd, de eerste vrije vogels verschenen in 1968 in New York en in 1969 werd in Florida het eerste broedgeval vastgesteld. Begin jaren zeventig zat hij in zeven staten en in 1995 in vijftien; de vaste kolonies liggen nu vooral in Florida, Texas, Louisiana, Illinois, New York, New Jersey, Connecticut en Rhode Island, met kleinere in Oregon en Californië en een sterke groep op Puerto Rico. In Mexico dook hij rond 1994 op in Mexico-Stad en was hij in 2015 uit zevenennegentig steden gemeld. Trekken doet hij niet: de kolonie blijft het hele jaar op dezelfde plek.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek niet de vogel maar het nest: een donkere bos takken hoog in een palm, op een lantaarnpaal of tegen een transformatorstation, van ver zichtbaar en het hele jaar bewoond. Ga er in het eerste uur na zonsopgang bij staan; dan komen de bewoners met takken aanvliegen en is te tellen hoeveel paren er wonen. In de winter, als de bomen kaal staan, liggen de nesten open in het zicht.

Staat van instandhouding

De soort geldt wereldwijd als niet bedreigd (LC) en neemt in Noord-Amerika nog steeds toe. Het conflict zit bij de elektriciteitsbedrijven: in Zuid-Florida stond in één onderzoek zestig procent van de nesten op installaties die onder spanning staan, en het weghalen van 3.126 nesten tussen 2003 en 2007 kostte naar schatting 1,3 tot 4,7 miljoen dollar. De grootschalige schade aan fruit en graan waarvoor bij zijn komst werd gevreesd, is uitgebleven; wel wordt lokaal aan gewassen als longan en mango geknabbeld.

Wetenschappelijke naam

Myiopsitta monachus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de vogel in 1783 als Psittacus monachus, naar een gekleurde plaat van Daubenton; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiopsitta werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte en is gevormd uit het Griekse muia 'vlieg' en psitta 'papegaai'. monachus is Latijn voor 'monnik', naar de grijze kap en borst, die aan een pij doen denken. Bij de plaat stond geen vindplaats; die is later vastgelegd op Montevideo in Uruguay.