Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Papegaai-alk

Papegaai-alk | Aethia psittacula

Parakeet Auklet | Mérgulo lorito

De papegaai-alk dankt zijn naam aan de korte, dikke oranje snavel, die aan het eind omhoog wipt en de vogel een verbaasde uitdrukking geeft. Hij is de enige alk van zijn geslacht met een witte buik, broedt in losse groepjes in plaats van in dichte massa's, en eet als enige alk veel kwallen.

Papegaai-alk (Aethia psittacula)
Foto: USFWSAlaska — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Bij de kolonie een ritmische, hese roep die klinkt als een klagend en trillend gejank: uu-wiii-er, langzaam oplopend en dan wegzakkend. Vaak brengen twee vogels hem tegelijk terwijl ze naast elkaar rechtop op een rotsblok zitten. Daarnaast korte, schorre blafjes bij het aanvliegen en bij ruzie om een spleet. Buiten de broedtijd hoor je hem zelden.

Luister: RoepXC860371

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Gambell, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Bovendelen zwartgrijs, kin en borst grijs gevlekt, buik en flanken wit — dat witte onderlijf onderscheidt hem meteen van de andere alken van zijn geslacht. In broedkleed is de snavel helderoranje en sterk opgewipt, en loopt er één smalle witte pluim vanaf het bleke oog naar achteren. In de winter wordt de snavel doforanje, worden keel en borst witter en is de pluim korter. Jonge vogels hebben een donkere, minder opgewipte snavel en missen de pluim. In alle kleden valt in de vlucht de witte buik op tegen de donkere bovenzijde, en op het water zit hij hoog en rechtop.

Verwarrings­soorten

De kuifalk (Aethia cristatella) is even groot maar van onderen helemaal donker en draagt een kuif. Cassins alk (Ptychoramphus aleuticus) is kleiner en grauwer, met een donkere snavel met een lichte vlek aan de basis en een vuilgrijze in plaats van witte buik. De zilveralk (Synthliboramphus antiquus) heeft een grijze rug, een blauwwitte snavel en een scherp begrensde zwarte kap. De dwergalk (Aethia pusilla) is in winterkleed ook wit van onderen, maar weegt nog geen derde en heeft een piepkleine donkere snavel.

Leefgebied

Broedt op eilanden in spleten van kliffen, tussen rotsblokken en in puinhellingen, meestal in losse groepjes van hooguit enkele tientallen paren en vaak verspreid tussen andere zeevogels. Voedsel zoekt hij ver uit de kust in diep, open water, waar hij tot een meter of dertig diep duikt; kwallen en ander glasachtig plankton vormen een groter deel van het menu dan bij enige andere alk. Buiten het broedseizoen komt hij helemaal niet meer aan land.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt verspreid van oostelijk Tsjoekotka, Sachalin, de Koerilen en de Commandeurseilanden over de Beringzee en de Aleoeten tot in de Golf van Alaska. In de winter waaiert hij ver over de noordelijke Grote Oceaan uit, tot in de noordelijke Japanse Zee. Langs de Noord-Amerikaanse kust komt hij dan tot voor Brits-Columbia en onregelmatig tot Californië, maar altijd ver uit de kust en in kleine aantallen; voor Brits-Columbia geldt hij als zeldzaamheid, en vroeger werd hij daar vaker gezien dan nu.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet tussen de vlotten van andere alken maar apart: papegaai-alken drijven meestal met twee of drie tegelijk, rustig en hoog op het water, ver van de kolonie. Bij een kolonie op de Pribilofeilanden of Sint-Laurenseiland zitten ze in juni en juli overdag rechtop op uitstekende rotsblokken, en dan is de opgewipte oranje snavel met een telescoop van grote afstand te zien.

Staat van instandhouding

De stand wordt op ruim een miljoen vogels geschat, met het zwaartepunt in Alaska, en er zijn geen aanwijzingen voor een recente afname; de soort is niet bedreigd (LC). Doordat de soort in kleine, wijd verspreide groepjes broedt, is ze minder kwetsbaar voor het mislukken van één kolonie dan haar dichter opeengepakte buren. Uitgezette ratten en poolvossen op broedeilanden en olie op zee blijven de voornaamste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Aethia psittacula | (Pallas, 1769)

Pallas beschreef de soort in 1769 als Alca psittacula, bij de alken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aethia werd in 1788 ingevoerd door Merrem, naar aithuia, de naam van een zeevogel bij de klassieke Griekse schrijvers. psittacula is Latijn voor 'papegaaitje', van psittacus, 'papegaai', naar de korte, dikke en opgewipte snavel. Als typelocatie geeft Pallas Kamtsjatka en de eilanden in de richting van Japan en Noord-Amerika op.