Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Kuifalk
Kuifalk | Aethia cristatella
Crested Auklet | Alcita cristada
Een gedrongen, leikleurige alk met een dikke oranje snavel en een kuif van naar voren krullende veren boven het voorhoofd. In de kolonie ruikt hij naar mandarijn: de geur komt uit veertjes tussen de schouderbladen, en de vogels steken bij de begroeting hun snavel juist daarin.
Geluid
Bij de kolonie luid en onophoudelijk. Het bekendste geluid is de trompetroep, een schetterende reeks toeterende en knorrende tonen — ah-ah-ah-aaah — die per vogel anders klinkt en van jaar tot jaar hetzelfde blijft, zodat partners en buren elkaar eraan herkennen. Daarnaast korte blaffende en grommende roepen bij het landen en bij ruzie om een spleet. Op zee is de soort vrijwel stil.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Egaal leigrijs tot roetzwart, ook op buik en flanken. In broedkleed is de snavel dik en oranjerood met losse hoornplaatjes en een gele punt, loopt er één smalle witte pluim van het oog naar achteren, en staat er een kuif van twee tot ruim twintig naar voren gebogen zwarte veren boven de snavel. In de winter is de snavel kleiner en dofgeel, de kuif korter en de pluim smaller. Jonge vogels hebben geen kuif of pluim en een bruingele snavel. Het silhouet is kort en zwaar, met een opvallend grote kop; de vlucht is snel, recht en laag over het water.
Verwarringssoorten
De geoorde dwergalk (Aethia pygmaea) is kleiner, lichter van buik, en heeft drie witte gezichtspluimen en een dunnere, langere kuif. De papegaai-alk (Aethia psittacula) is even groot maar wit op buik en flanken, met een opgewipte snavel en zonder kuif. De dwergalk (Aethia pusilla) weegt nog geen derde en heeft in de winter een witte buik. De neushoornalk (Cerorhinca monocerata) is fors groter en bruiner, met een lichte hoorn op de snavel en twee witte pluimstrepen over de kop.
Leefgebied
Broedt in spleten tussen rotsblokken en in puinhellingen op eilanden in de Beringzee en de Zee van Ochotsk, in kolonies die van honderdduizenden tot een miljoen vogels kunnen lopen en waarin vaak dwergalken meebroeden. Voedsel zoekt hij duikend in diep water, vooral boven de rand van het continentaal plat en in zeegaten waar stroming krill en roeipootkreeftjes samendrijft. Buiten de broedtijd is hij volledig aan open zee gebonden en komt hij niet aan land.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt verspreid van oostelijk Tsjoekotka, Sachalin, de Koerilen en de Commandeurseilanden tot in de Beringzee en de Aleoeten. In de winter verlaten de vogels van de noordelijke kolonies het ijs en zoeken ze open water: geregeld tot bij Kodiak en elders in de Golf van Alaska, aan de Aziatische kant tot Hokkaido en Noord-Honshu. Verder zuidwaarts langs de Noord-Amerikaanse kust is hij een dwaalgast; voor Brits-Columbia staat hij op de lijst van zeldzaamheden, en er zijn zelfs enkele waarnemingen uit de Atlantische Oceaan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De zekerste plek is een boottocht bij een kolonie in de Aleoeten of de Beringzee in juni of juli: dan liggen de vogels in dichte drijvende vlotten voor de kust en gaan ze bij het minste alarm allemaal tegelijk de lucht in. Let in tegenlicht op de kuif, die als een haakje boven het voorhoofd uitsteekt, en op de oranje snavel — die is verder te zien dan welk ander kenmerk ook.
Staat van instandhouding
De wereldstand loopt in de miljoenen, met naar schatting bijna drie miljoen vogels in Noord-Amerika, en de soort geldt niet als bedreigd. Op de kolonies zijn meeuwen, raven en uitgezette poolvossen en ratten de belangrijkste vijanden. Omdat het aantal broedplaatsen klein is, kan één gebeurtenis veel schade doen: bij de uitbarsting van de vulkaan Kasatochi in 2008 raakte een kolonie van honderdduizenden alken onder de as bedolven. Olielozingen en aanvaringen met verlichte schepen tellen daarnaast mee.
Wetenschappelijke naam
Aethia cristatella | (Pallas, 1769)
Pallas beschreef de soort in 1769 als Alca cristatella, bij de alken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aethia werd in 1788 ingevoerd door Merrem, naar aithuia, de naam van een zeevogel bij de klassieke Griekse schrijvers. cristatella is nieuw Latijn voor 'met een kuifje', van cristatus, 'gekuifd'. De typelocatie beslaat het gebied van Hokkaido tot Kamtsjatka.



