Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Oosterse phoebe

Oosterse phoebe | Sayornis phoebe

Eastern Phoebe | Mosquero fibí

De oosterse phoebe is de tiran die het dichtst bij huis broedt: onder een brug, een dakoverstek of een veranda, op een richel van modder en mos. Hij zit rechtop op een lage tak, wipt bij elke pauze met de staart omlaag en weer omhoog, en herhaalt de hele ochtend de twee lettergrepen waarnaar hij is genoemd. Hij keert vroeger terug dan welke andere tiran ook — in maart, als de nachten nog vriezen.

Oosterse phoebe (Sayornis phoebe)
Foto: Katja Schulz — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een hees, tweelettergrepig fie-bie, met de klemtoon op de eerste lettergreep en een ruwe, geknepen tweede; hij herhaalt het om de paar seconden vanaf een lage tak. Er zijn twee versies die hij afwisselt: de ene eindigt omhoog, de andere zakt en rafelt uit. Anders dan de meeste zangvogels zingt hij ook midden in de zomer door, en al in de eerste dagen na aankomst, voor zonsopgang. De roep is een scherp tsjip, meestal gevolgd door een neerwaartse beweging van de staart.

Luister: ZangXC1027244

Opname: Jim Berry — CC BY-NC-SA 4.0 · Jamestown, Chautauqua County, New York, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote tiran zonder opvallende tekening: donker bruingrijs van boven, het donkerst op kruin en oorstreek, en vuilwit van onder met een grijze waas over de borst. De snavel is geheel zwart, dun en aan de basis breed. Vleugelstrepen ontbreken of zijn zwak en bruinig, en een oogring is er niet; juist dat ontbreken van kenmerken is het kenmerk. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; verse najaarsvogels en jonge vogels hebben een gele waas op de buik en twee duidelijker roestbruine vleugelstrepen. In de vlucht valt de lange staart op, dezelfde staart die hij zittend voortdurend laat zakken en weer optrekt.

Verwarrings­soorten

De koningstiran is groter en scherp in zwart en wit verdeeld, draagt een witte band over het staarteinde en wipt niet met de staart. De oostelijke bospiewie (Contopus virens) is even grijsbruin en even groot, maar heeft twee lichte vleugelstrepen, een oranjegele ondersnavel en zit stil en rechtop. De kleine tirannen van het geslacht Empidonax hebben een duidelijke oogring, scherpe vleugelstrepen en een lichte ondersnavel; de oosterse phoebe mist alle drie. In het westen delen twee verwanten dezelfde staartbeweging: Say's phoebe (Sayornis saya) met een oranje buik, en de zwarte phoebe (Sayornis nigricans) met een zwarte borst die scherp tegen de witte buik afsteekt.

Leefgebied

Open bos en bosrand bij stromend water: een beek met steile oevers, een rotswand, een brug of duiker over een sloot. Het nest heeft een overdekte richel nodig met daaronder bij voorkeur water of kale grond, en bruggen, schuren en verandabalken hebben daar in twee eeuwen veel meer van geleverd. Jagen doet hij vanaf een lage uitkijkpost op één tot drie meter, met korte uitvallen naar vliegende insecten. Gesloten hoogbos en boomloze prairie worden gemeden; één rij bomen langs een beek is al genoeg.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van het noordoosten van Brits-Columbia en de zuidrand van de Northwest Territories oostwaarts door het boreale zuiden van Canada tot Nova Scotia, en zuidwaarts in de Verenigde Staten tot Oklahoma, Arkansas en het noorden van Georgia. Overwintert van de zuidoostelijke staten en de Golfkust door Texas tot in oostelijk Mexico, waar hij Oaxaca en Chiapas bereikt. De trek is kort en vroeg: hij verschijnt in het noorden in maart en vertrekt pas in oktober, zodat hij van alle tirannen het langst aanwezig is. Het areaal is in de negentiende en twintigste eeuw meegegroeid met bruggen en boerderijen; in gekapte streken zonder bouwwerken is hij navenant schaars.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in maart of april een landweg af tot het eerste bruggetje over een beek en blijf daar staan: is er een oosterse phoebe in de buurt, dan zit hij op de leuning of vliegt hij onder het bruggetje door. Let eerder op de staart dan op de kleur — het langzame zakken en optrekken draagt op afstand waar de tekening dat niet meer doet. Onder een brug blijven de mosnesten van eerdere jaren vaak staan, soms drie of vier boven elkaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en talrijk, met een broedpopulatie in de orde van dertig miljoen vogels, en over de laatste halve eeuw licht toenemend. Strenge winters in het overwinteringsgebied drukken de aantallen enkele jaren, waarna ze zich herstellen. Het weghalen van nesten onder bruggen en dakranden is de belangrijkste plaatselijke verstoring, en het vernieuwen van bruggen zonder richel neemt nestplaatsen weg.

Wetenschappelijke naam

Sayornis phoebe | (Latham, 1790)

John Latham beschreef de soort in 1790 als Muscicapa phoebe, bij de vliegenvangers van de Oude Wereld; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sayornis voerde Bonaparte in 1854 in: de naam van de Amerikaanse natuuronderzoeker Thomas Say, verbonden met het Griekse ornis, 'vogel'. De soortnaam nam Latham over van de Engelse naam die de vogel toen al droeg; die klinkt als zijn roep, fie-bie, en valt samen met Phoibe, in het Grieks de naam van een Titanide. Het beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika, met New York als typelocatie.