Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Zwarte phoebe
Zwarte phoebe | Sayornis nigricans
Black Phoebe | Mosquero Negro
De zwarte phoebe is roetzwart met een scherp afgesneden witte buik en zit vrijwel altijd binnen enkele meters van water: een beek, een vijverrand, een fonteinbak of een sloot. Hij bouwt een modderkom onder een brug, dakrand of overhangende rots en pompt zittend voortdurend met de staart.
Geluid
De zang bestaat uit twee afwisselende frasen, ongeveer tsie-hie en tsie-ho, waarvan de eerste oploopt en de tweede omlaag glijdt; hij herhaalt ze om beurten, vooral in de vroege ochtend. De roep is een helder, kort tsjip of tsiep, dikwijls gegeven bij het landen. Mannetjes zingen meer dan vrouwtjes, die wel bij nestplaatskeuze zingen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Portal, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Kop, borst, rug, vleugels en staart zijn roetzwart, de kop nog iets donkerder; buik en onderstaartdekveren zijn wit, met een grens die op de onderborst in een omgekeerde V naar boven wijst. De vleugelpennen en de buitenste staartpennen hebben smalle bleke zomen. De snavel is dun en recht, de staart middellang en recht afgesneden. Jonge vogels zijn bruiner met kaneelkleurige veerzomen en kaneelbruine vleugelstrepen. Hij jaagt met korte uitvallen vanaf een lage zitplaats en pompt de staart bij elke landing.
Verwarringssoorten
Say's phoebe deelt het staartpompen maar is grijsbruin met een kaneelkleurige buik zonder scherpe grens. De oosterse phoebe is grijsbruin van boven en vuilwit van onderen, zonder het zwart-witcontrast. Een donkere junco is veel kleiner, heeft een kegelvormige roze snavel en foerageert op de grond. De koningstiran is zwartgrijs met wit van onderen, maar heeft een witte eindband over de staart en een veel zwaardere snavel, en jaagt hoog in de open lucht.
Leefgebied
Vrijwel altijd bij water: beken, rivieren, meeroevers, irrigatiekanalen, veedrinkplaatsen, parkvijvers, fonteinen en de rotskust. Hij heeft twee dingen nodig — een lage zitplaats met vrij uitzicht over water of kale grond, en een beschutte verticale wand met modder voor het nest. Bruggen, duikers, dakranden en muren onder een overstek voldoen daar even goed aan als een rotsrichel. Dicht bos gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In de Verenigde Staten komt hij voor in Zuidwest-Oregon, Californië, het dal van de Colorado, Zuid-Nevada, Zuidwest-Utah, Arizona, Centraal- en Zuid-New Mexico en het zuidwesten en zuiden van Texas. Van daar loopt het areaal door Neder-Californië en heel Mexico, Midden-Amerika en verder zuidwaarts in de Andes. Hij is over het grootste deel van dat gebied standvogel; alleen de noordelijkste en hoogste broedvogels verschuiven in de winter naar lager en zuidelijker gelegen water. Het areaal breidde zich in de twintigste eeuw noordwaarts en landinwaarts uit met de aanleg van bruggen, duikers en irrigatiewerken.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop langs een brug of duiker over een beek en kijk onder de constructie: daar hangt vaak het modderige nest, en de vogel zit binnen dertig meter op een paal of steen. Het onophoudelijke staartpompen verraadt hem op afstand, ook als het zwart-wit in de schaduw niet te zien is.
Staat van instandhouding
De IUCN beschouwt de soort als niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldwijde broedpopulatie op ongeveer 5 miljoen vogels; op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) staat de soort op 8 van 20. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een toename van ruim twee procent per jaar zien, mede doordat bruggen, duikers en gebouwen nestplaatsen toevoegden. Omdat de soort aan water gebonden blijft, hangt die ontwikkeling af van waterkwaliteit en van het behoud van beek- en oeverhabitat.
Wetenschappelijke naam
Sayornis nigricans | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Tyrannula nigricans, naar materiaal van de Mexicaanse hoogvlakte; Nelson wees in 1900 het Dal van Mexico als typelocatie aan. Omdat de soort later in Sayornis werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sayornis betekent 'Says vogel', naar de Amerikaanse natuuronderzoeker Thomas Say, met het Griekse ornis 'vogel'; nigricans is Latijn voor 'zwartachtig'. De zes ondersoorten worden soms in twee groepen verdeeld, de nigricans-groep in het noorden en de latirostris-groep in het zuiden, waarvan de vogels geheel roetgrijs zijn met witte vleugelzomen.






