Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Say's phoebe
Say's phoebe | Sayornis saya
Say's Phoebe | Mosquero Llanero
Say's phoebe is de tiran van het droge, kale land: grijsbruin van boven, met een grijze borst, een kaneelkleurige buik en een zwarte staart die hij zittend omlaag pompt. Hij broedt verder naar het noorden dan enige andere tiran — tot in Alaska — en nestelt daarbij graag op richels van schuren, bruggen en oevers.
Geluid
De roep is een dun, omlaag glijdend en klaaglijk pie-oer, dat over open terrein ver draagt. De zang bestaat uit twee afwisselende frasen: een oplopend pit-tsie-ar en een korter, snel pit-tsie-tsjoe, in de vroege ochtend vaak in een korte zwevende vlucht boven de nestplaats. Het mannetje zingt het meest, maar ook vrouwtjes laten de zang horen.
Opname: Patrick J. Blake — CC BY-NC-SA 4.0 · Calico Basin, Red Rock Canyon NCA, Las Vegas, Clark County, Nevada, United States · xeno-canto
Herkenning
De bovendelen zijn effen grijsbruin, de kop iets donkerder en met een hoekig, vierkant profiel; keel en borst zijn grijs en gaan zonder scherpe grens over in een kaneelkleurige tot okerroze buik en onderstaartdekveren. De staart is zwart, vrij lang en aan het einde recht afgesneden; de vogel pompt hem zittend omlaag en waaiert hem uit. Er is geen oogring en er zijn geen duidelijke vleugelstrepen. De geslachten zijn gelijk. Hij jaagt vanaf lage zitplaatsen en bidt daarbij geregeld boven de grond.
Verwarringssoorten
De zwarte phoebe deelt het staartpompen maar is zwart met een scherp afgesneden witte buik, zonder kaneel. De oosterse phoebe heeft een witte in plaats van kaneelkleurige buik en een zwarte snavel zonder lichte basis, en roept een helder fie-bie. Het vrouwtje van de rode tiran is kleiner, heeft een gestreepte witte borst en een fijnere snavel. De grijskeeltiran heeft twee duidelijke vleugelstrepen, een lichte oogring en een kuif; Say's phoebe heeft geen van drieën. De bergsialia en de blauwkeelsialia hebben blauw in vleugel en staart en een veel kortere snavel.
Leefgebied
Droog, schaars begroeid open land: sagebrush (grijsgroen alsemstruweel van het droge westelijke binnenland)-vlakten, badlands (sterk geërodeerd, vegetatieloos heuvelland van kleisteen), kale heuvelvoeten, canyons, woestijnranden, alkalivlakten, begraasd weiland en de randen van dorpen. Anders dan de andere phoebes is hij niet aan water gebonden. Voor het nest heeft hij een beschutte richel of holte nodig: een grot, een kliflijst, een steile oeverwand, een brug, een schuur, een verlaten gebouw of een mijnschacht. Bos mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Centraal- en West-Alaska en Yukon door Brits-Columbia, Alberta en Saskatchewan zuidwaarts door het hele westen van de Verenigde Staten tot in Noord-Mexico, oostwaarts tot in de Dakota's, Nebraska, Kansas en West-Oklahoma. De noordelijke broedvogels trekken weg; in het zuidwesten van de Verenigde Staten en Noord-Mexico blijft hij het hele jaar. Het winterkwartier beslaat daarnaast het Mexicaanse binnenland tot ongeveer het centrale hoogland. Buiten het areaal is hij een geregelde dwaalgast in het oosten van Noord-Amerika.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rij in maart of april door droog land en stop bij verlaten boerderijen, schuren en duikers: hij nestelt op richels binnenin en zit dan op een hek of dakrand vlakbij. Het omlaag pompen van de staart in combinatie met de kaneelkleurige buik maakt hem ook in tegenlicht herkenbaar.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 4 miljoen vogels, waarvan ruwweg 85 procent een deel van het jaar in de Verenigde Staten doorbrengt. De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2015 een lichte toename zien. Bouwsels in droge streken — schuren, bruggen, duikers, verlaten mijnen — hebben het aantal nestplaatsen vergroot. De soort is niet bedreigd (LC) en staat niet op een aandachtslijst.
Wetenschappelijke naam
Sayornis saya | (Bonaparte, 1825)
Bonaparte beschreef de soort in 1825 als Muscicapa saya, naar een exemplaar aan de Arkansas River op ongeveer dertig kilometer van de Rocky Mountains, bij het huidige Pueblo in Colorado; omdat ze later in Sayornis werd geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Zowel het geslacht als de soortnaam verwijzen naar de Amerikaanse natuuronderzoeker Thomas Say, die de vogel op de expeditie van Long verzamelde: Sayornis is 'Says vogel', van het Griekse ornis 'vogel'. De naam phoebe is overgenomen van de oosterse phoebe en gaat terug op diens roep.






