Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Rode tiran
Rode tiran | Pyrocephalus obscurus
Vermilion Flycatcher | Mosquero Cardenal
De rode tiran is de enige tiran van Noord-Amerika met een helrood mannetje: rode kruin en volledig rode onderdelen tegen een bruinzwart masker, rug en staart. Hij hoort bij water in droog land — beekbegeleidend bos, irrigatiekanalen, veedrinkplaatsen — van Zuidwest-Texas tot Californië en door heel Mexico.
Geluid
De zang van het mannetje is een korte, snelle reeks scherpe notities die eindigt in een trillend slot, ongeveer pit pit pit pi-dddrrriieedrr. Hij zingt zowel vanaf een zitplaats als in een baltsvlucht: het mannetje klimt met snel, fladderend vleugelslag twintig tot dertig meter, hangt daar met opgezette rode kruinveren en zingend, en laat zich dan naar zijn zitplaats zakken. De roep is een scherp, dun piek. Vrouwtjes zingen meestal niet.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje heeft een scharlaken tot vermiljoenrode kruin, keel, borst en buik; masker, rug, vleugels en staart zijn donker bruinzwart. De kruinveren kunnen tot een kuif worden opgezet. Het vrouwtje is grijsbruin van boven, met een witte, fijn grijs gestreepte borst en een zalmroze tot geelachtige waas op buik en onderstaartdekveren, en een bleke wenkbrauwstreep. Jonge mannetjes zijn onregelmatig gevlekt rood en grijs. Beide geslachten pompen de staart en jagen met korte, lage uitvalsvluchten vanaf een lage zitplaats, vaak met een lus terug naar dezelfde tak.
Verwarringssoorten
Een volwassen mannetje is niet te verwarren. Bij het vrouwtje is says-phoebe de belangrijkste verwisseling: die is groter, eenkleurig grijsbruin op de borst zonder streping, en heeft een effen kaneelkleurige buik in plaats van een gestreepte witte borst met roze waas. Het vrouwtje van de rode tiran is ook kleiner dan elke Sayornis en heeft een fijnere snavel. Jonge mannetjes met verspreide rode veren kunnen op een vervuild vrouwtje lijken; let dan op de streping, die bij mannetjes verdwijnt.
Leefgebied
Open, droog land met water en verspreide bomen: beek- en rivierdalen met wilg, plataan, katoenboom en mesquite, verder woestijnwash, veedrinkplaatsen, golfbanen, parken met gazon en irrigatieland. Hij heeft lage zitplaatsen en open grond nodig om vliegende insecten te zien. In Mexico gaat hij tot ongeveer 3000 meter hoogte. Dicht bos gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van het zuidwesten van de Verenigde Staten — Zuid-Californië, Arizona, New Mexico, West- en Zuid-Texas, met een broedrand in Zuid-Nevada en Zuid-Utah — door vrijwel heel Mexico tot in Midden-Amerika, en verder in delen van Zuid-Amerika. In het grootste deel van dat gebied is hij standvogel; de noordelijkste broedvogels trekken in de winter naar het zuiden, en in de winter verschuiven vogels ook naar de Golfkust van Texas en Louisiana. Buiten het areaal verschijnt hij als dwaalgast tot ver in het noorden en oosten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek langs een beek of drinkplaats in de woestijn en kijk laag: hij zit meestal op minder dan drie meter hoogte op een dode tak, een hek of een struiktop, en het rood is op honderden meters afstand te zien. De baltsvlucht is het best waar te nemen in maart en april, in de eerste uren na zonsopgang.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 15 miljoen vogels; de soort geldt als van lage zorg en het Amerikaanse deel is sinds 1969 tamelijk stabiel. Het knelpunt is het beekbegeleidende bos in de woestijn: grondwateronttrekking, dalende waterstanden en het omzetten van oeverbos in andere teelt of bebouwing verkleinen het leefgebied. In Californië en Texas zijn plaatselijke afnames vastgesteld waar het oeverbos verdween.
Wetenschappelijke naam
Pyrocephalus obscurus
Gould beschreef de soort in 1839 als Pyrocephalus obscurus, naar materiaal van de reis van de Beagle; de auteursnaam staat zonder haakjes omdat de soort nog in het oorspronkelijke geslacht staat. Pyrocephalus komt van het Griekse pyr 'vuur' en kephale 'kop', dus 'vuurkop', naar de rode kruin van het mannetje; obscurus is Latijn voor 'donker' of 'schemerig'. Tot 2016 werd de soort samengevoegd met Pyrocephalus rubinus; genetisch onderzoek splitste die groep, waarbij de naam rubinus bij de zuidelijke vorm bleef en de vogels van Noord-Amerika, Midden-Amerika en het noordwesten van Zuid-Amerika obscurus gingen heten.






