Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Regenstormvogel

Regenstormvogel | Pterodroma inexpectata

Mottled Petrel | Petrel moteado

De regenstormvogel is een van de weinige leden van zijn geslacht die zich niet aan de tropen houdt: hij broedt op koele, subantarctische eilanden bij Nieuw-Zeeland en trekt na het broedseizoen dwars over de evenaar naar de kille wateren van de Beringzee en de Golf van Alaska. Zijn blauwgrijze rug, witte onderdelen en de donkere vlek op de buik maken hem, ondanks de grote afstand tot zijn broedgrond, herkenbaar tussen de talrijke pijlstormvogels van diezelfde wateren.

Regenstormvogel (Pterodroma inexpectata)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de broedeilanden bij Nieuw-Zeeland, ver buiten dit gidsgebied, klinkt 's nachts een schril, herhaald kek-kek-kek boven de kolonie en een lager, grommend geluid bij het hol. Voor de kust van Alaska en in de Beringzee, waar de soort dit gebied bezoekt, is de regenstormvogel net als de meeste van zijn verwanten volkomen stil: hij foerageert er in eenzaamheid, zonder zich bij andere zeevogels te voegen.

Luister: ZangXC295660

Opname: Johannes Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · Stewart Island, Southland District, Southland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

De regenstormvogel is van boven blauwgrijs met een donkere 'M'-tekening die van vleugelpunt tot vleugelpunt over rug en vleugels loopt, en heeft een wit voorhoofd met een donkere oogvlek. De onderdelen zijn wit, maar dwars over de buik ligt een brede, donkere vlek — een kenmerk dat geen andere kleine stormvogel in deze wateren heeft. De ondervleugel is grotendeels donker met een lichte driehoek aan de basis, de staart is grijs en de poten zijn roze met zwarte zwemvliezen. Mannetje, vrouwtje en jonge vogel zijn niet van elkaar te onderscheiden. In de vlucht wisselt hij, net als andere stormvogels van het geslacht Pterodroma, snelle series vleugelslagen af met hoge, buitelende zwenkingen, vaak fors hoger boven de golven dan de pijlstormvogels waarmee hij zich vermengt.

Verwarrings­soorten

In de Beringzee en de Golf van Alaska vliegt de regenstormvogel vaak tussen grote aantallen grauwe pijlstormvogels (Ardenna grisea), die geheel donker zijn en op stijve, rechte vleugels vliegen — de witte onderdelen met donkere buikvlek en de buitelende vlucht van de regenstormvogel onderscheiden hem direct. Van de eveneens in de Grote Oceaan voorkomende Murphy-stormvogel, die geheel donkerbruin is zonder wit, is hij door zijn witte onderdelen evenmin te verwarren. Met de donkere vorm van de kermadecstormvogel, forser gebouwd en zonder scherpe grens tussen donker en licht op de onderdelen, is verwarring eerder denkbaar, maar die soort is in dit gebied vrijwel nooit gezien. De combinatie van blauwgrijze rug, witte onderdelen met donkere buikvlek en de kleine, tengere bouw blijft het beste kenmerk.

Leefgebied

Binnen dit gebied is de regenstormvogel volledig een vogel van open, koud water: hij zoekt de grens tussen koudere subarctische en warmere gematigde stromingen op, in de Beringzee, de Golf van Alaska en rond de Aleoeten, en vermijdt daarmee het warme tropische en subtropische water waarin de meeste van zijn verwanten juist thuis zijn. Voor het broeden gebruikt hij een geheel ander landschap: een zelfgegraven hol tussen boomwortels of in dichte tussockgrasvegetatie op koele eilanden, ver buiten dit gidsgebied. Land binnen Noord-Amerika gebruikt de soort nooit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De regenstormvogel broedt uitsluitend op eilanden bij Nieuw-Zeeland: kleine eilandjes voor de kust van Fiordland en zelfs op eilandjes in het binnenmeer Lake Hauroko, in de Foveauxstraat en rond Stewart Island, en op de Snareseilanden. Na het broedseizoen, dat rond juni eindigt, trekt vrijwel de hele populatie dwars over de evenaar naar de noordelijke Grote Oceaan, waar de vogels de Beringzee, de Golf van Alaska en de wateren rond de Aleoeten bereiken en er tot in de nazomer blijven voordat ze weer zuidwaarts trekken. Kleinere aantallen bereiken ook de wateren voor Japan en het Russische Verre Oosten. Op het Nieuw-Zeelandse vasteland en de eilanden waar ratten en hermelijnen zijn doorgedrongen, is de soort door predatie sterk teruggedrongen; hij broedt nu vooral op eilanden die roofdiervrij zijn of zijn gemaakt.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De enige praktische kans binnen dit gebied is een boottocht ver de Golf van Alaska of de Beringzee op, in de zomermaanden wanneer de soort er foerageert; let dan op een klein, buitelend stormvogeltje met witte onderdelen en een donkere buikvlek, tussen de veel talrijkere, geheel donkere pijlstormvogels.

Staat van instandhouding

De regenstormvogel geldt als gevoelig (NT): de wereldpopulatie is de afgelopen eeuw sterk afgenomen doordat geïntroduceerde ratten, katten en hermelijnen de kolonies op het Nieuw-Zeelandse vasteland en de grotere eilanden zwaar hebben getroffen. Op de laatste roofdiervrije eilanden, zoals de Snares, blijven de aantallen stabieler, en kuikens zijn naar bijkomende roofdiervrije eilanden overgebracht om nieuwe kolonies te stichten.

Wetenschappelijke naam

Pterodroma inexpectata | (Forster, 1844)

Johann Reinhold Forster, natuuronderzoeker op Cooks tweede reis, beschreef de soort als Procellaria inexpectata; de naam verscheen pas in 1844, decennia na zijn dood, toen zijn aantekeningen over de vogels van die reis alsnog werden gepubliceerd, en omdat de soort sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte, uit het Grieks voor 'vleugel' en 'loper'. inexpectata is Latijn voor 'onverwacht', vermoedelijk omdat de soort een verrassende vondst was tussen het overige vogelmateriaal van de reis. De typelocatie is vaag: 'in de Zuidelijke Oceaan, samen met de voorgaande', zonder nadere plaatsaanduiding.