Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Roodkeelsialia

Roodkeelsialia | Sialia sialis

Eastern Bluebird | Azulejo gorjicanelo

De roodkeelsialia is de sialia van het oosten van Noord-Amerika: een kleine holenbroeder van open terrein met verspreide bomen, die zijn voedsel vanaf een lage uitkijkpost op de grond zoekt. Het bestand liep in de eerste helft van de twintigste eeuw sterk terug en herstelde daarna door de aanleg van nestkastroutes.

Roodkeelsialia (Sialia sialis)
Foto: Andy Morffew — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een laag, licht kraakerig gekwetter van ongeveer twee seconden, meestal drie of vier korte noten die iets dalen. De contactroep is een zacht, vloeiend tjoe-wie, dat paartjes ook in de vlucht gebruiken en dat vaak het eerste teken van hun aanwezigheid is. Bij verstoring bij het nest klinkt een hard, ratelend tsjek, soms in lange reeksen.

Luister: ZangXC1014698

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Côte-de-Beaupré (near La Barrière-du-Maurice), Capitale-Nationale, Québec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is diepblauw op kop, rug, vleugel en staart, met een roestrode keel, borst en flanken en een witte buik en onderstaart. Het vrouwtje is grijsbruin van boven, met blauw doorschijnend in vleugel en staart, een blekere oranjebruine borst en een smalle witte oogring. Jonge vogels zijn grijs met witte spikkels op rug en borst en hebben al blauw in de vleugel. Op draad of paal zit de vogel rechtop, met de kop iets naar beneden gericht.

Verwarrings­soorten

De blauwkeelsialia heeft een blauwe in plaats van roestrode keel en vaak een kastanjebruine vlek op de rug; het areaal overlapt alleen in het zuidwesten. De bergsialia mist het roestbruin helemaal en is bij het mannetje effen hemelsblauw met een witte buik. Vrouwtjes van de drie soorten lijken meer op elkaar: bij de roodkeelsialia loopt het oranjebruin door tot op de keel, bij de blauwkeelsialia is de keel grijsblauw en bij de bergsialia vrijwel wit.

Leefgebied

Halfopen terrein: weiland met verspreide bomen, open eikenland en savanne, boomgaarden, houtwallen en bosranden, akkerranden, golfbanen en brede bermen. Doorslaggevend is de combinatie van korte vegetatie om vanaf een uitkijkpost in te jagen en holtes om in te broeden — oude spechtengaten, holle hekpalen of nestkasten. Gesloten bos mijdt hij, maar na kap of brand vestigt hij zich er snel; in de winter gebruikt hij daarnaast bessendragend struweel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het oosten van Noord-Amerika, van Zuid-Canada en de rand van de Great Plains oostwaarts tot de Atlantische kust en zuidwaarts tot Florida en Oost-Texas. In het noorden van het areaal is hij trekvogel en verlaat hij het gebied in oktober en november; in het midden en het zuiden blijft hij het hele jaar. Daarnaast is hij standvogel in de bergen van oostelijk en zuidelijk Mexico, in Guatemala, Honduras, El Salvador en Nicaragua, en op Bermuda. De noordgrens van het winterareaal is in de loop van de twintigste eeuw noordwaarts opgeschoven.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in maart of april langs een landweg met hekpalen en nestkasten en let op kleine vogels die vanaf de paal naar de grond duiken; in de winter vormen ze groepjes rond bessendragende struiken en langs beschutte bosranden. Een nestkast met een invliegopening van ongeveer 38 millimeter, op een paal met een klimwering en met het gat van de heersende windrichting af, geeft de grootste kans op een broedgeval in eigen tuin.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 23 miljoen vogels, en de Noord-Amerikaanse broedvogeltelling (Breeding Bird Survey) laat tussen 1966 en 2019 een toename zien; de soort is niet bedreigd (LC). In het begin van de twintigste eeuw liep het bestand sterk terug, doordat ingevoerde huismussen en spreeuwen de nestholtes bezetten en doordat oude houten hekpalen en hoogstamboomgaarden verdwenen. Vanaf de jaren zestig werden langs wegen en velden lange rijen nestkasten geplaatst, met een opening die te klein is voor de spreeuw; daarna nam het bestand weer toe. Gebrek aan holtes, koude natte voorjaren en het wegvallen van beheer van oude kastroutes blijven de knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Sialia sialis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Sialis, met als typegebied 'in Bermudis & America calidiore', later vastgelegd op South Carolina; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat ze nu in Sialia staat. Dat geslacht werd in 1827 ingevoerd door William Swainson en gaat terug op het Griekse sialis, de naam van een niet nader bepaalde vogel. De Nederlandse naam wijst op de roestrode keel, de Engelse op het blauw, en de Spaanse naam combineert beide: azulejo 'blauwtje' en gorjicanelo 'met de kaneelkleurige keel'.