Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Roodmaskeraalscholver
Roodmaskeraalscholver | Urile urile
Red-faced Cormorant | Cormorán Carirrojo
De roodmaskeraalscholver broedt op enkele van de meest afgelegen kliffen van de noordelijke Grote Oceaan, van Kamtsjatka en de Koerilen tot de Aleoeten en de Pribilofeilanden in de Beringzee. Hij is te herkennen aan de felrode, kale huid rond het oog die zich verder over het gezicht uitstrekt dan bij enige verwante soort. Anders dan de meeste aalscholvers broedt hij vaak alleen of in kleine groepjes, verspreid over de rotswand.
Geluid
Bij het nest laat hij, net als andere aalscholvers, lage, schorre kraak- en gromgeluiden horen, vooral tijdens de baltsvertoning waarbij paren met de kop knikken. Op zee is de soort stil. Specifieke geluidsopnamen zijn schaars, wat past bij een vogel die zelden in de buurt van mensen broedt.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 3.0 · Tolstoi Point, St. Paul Island, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Het broedkleed is glanzend groenzwart met paarse en bronzen weerschijn, een dubbele kuif op de kop en witte sierveren op flanken en hals. Het belangrijkste kenmerk is de felrode, kale gezichtshuid, die groter is en verder om het oog loopt dan bij de nauw verwante pelagische aalscholver. De snavel is iets zwaarder dan bij die soort. Buiten het broedseizoen verdwijnen de kuiven en sierveren en verbleekt het rood van het gezicht.
Verwarringssoorten
De pelagische aalscholver is vrijwel identiek van bouw en kleur, maar heeft een kleinere, rode gezichtsvlek die niet voorbij het oog doorloopt, een lichtere snavel en meestal maar één kuif zichtbaar. Waar beide soorten samen broeden, begint de roodmaskeraalscholver eerder met broeden en bezet hij de hogere, drogere nestplaatsen op de rotswand. De veel grotere geoorde aalscholver heeft een oranjegele keelvlek in plaats van een rode gezichtsvlek en mist de rode gezichtshuid van deze soort vrijwel geheel.
Leefgebied
Hij nestelt op steile klifwanden boven de branding, vaak als geïsoleerd paar in plaats van in een dichte kolonie. Voedsel zoekt hij dicht onder de kust, waar hij als bodemjager vooral slijmvissen en donderpadachtigen van de zeebodem opduikt. Hij blijft het hele jaar dicht bij zijn broedgebied en verlaat de kust vrijwel nooit voor de open oceaan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van Kamtsjatka en de zuidelijke Koerilen via de Aleoeten en de Pribilofeilanden tot de eilanden voor het zuiden van Alaska. Sinds de late jaren vijftig heeft de soort zich oostwaarts uitgebreid langs de zuidkust van Alaska en is hij algemeen geworden tot in Prince William Sound. Hij is vrijwel een standvogel; buiten dit gebied is hij een zeer zeldzame dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
St. Paul Island in de Pribilofeilanden is een van de weinige plekken waar de nesten vanaf toegankelijke klifranden goed te bekijken zijn; zoek naar de felrode gezichtshuid tegen de donkere rotswand. Vergelijk elk vermeend exemplaar zorgvuldig met de veel talrijkere pelagische aalscholver, want op afstand lijken de twee sterk op elkaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een populatie van ongeveer 130.000 vogels die de laatste decennia is toegenomen. Toch geldt hij als aandachtsoort: zijn hele wereldpopulatie broedt op een handvol eilandgroepen in de Beringzee en de noordelijke Grote Oceaan, waardoor één olieramp een groot deel van de soort zou kunnen treffen.
Wetenschappelijke naam
Urile urile | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Pelecanus Urile, waarbij hij de plaatselijke, aan het Russisch ontleende naam voor de vogel gebruikte, die mogelijk naar de Koerilen verwijst; sindsdien is de soort van geslacht gewisseld, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Bonaparte gebruikte in 1856 diezelfde naam voor het nieuwe geslacht Urile, met deze soort als typesoort — maar het geslacht raakte in onbruik en de soort bleef tientallen jaren in Phalacrocorax staan, tot moleculair onderzoek in 2014 Urile in ere herstelde. De typelocatie is Kamtsjatka.


