Alle soorten › Genten en aalscholvers › Genten › Roodpootgent
Roodpootgent | Sula sula
Red-footed Booby | Piquero Patirrojo
De roodpootgent is de kleinste en meest verspreide van de zeven soorten van het geslacht Sula, en de enige daarvan die in bomen broedt in plaats van op de grond. Zijn verenkleed wisselt van geheel wit tot geheel chocoladebruin, maar de felrode poten en de blauwig-roze snavelbasis blijven bij elke vorm hetzelfde herkenningspunt.
Geluid
Op zee is hij vrijwel stom; alleen bij de broedkolonie laat hij zich horen. Het mannetje begroet zijn partner met een dun, hoog gefluit, het vrouwtje antwoordt met een schor, snorkend gekwaak dat draagt tot ver in de kolonie. Rond het nest klinkt daarnaast een zacht, ritmisch geknor wanneer de partners elkaars kop en snavel betuttelen. Kuikens bedelen met een aanhoudend, piepend geluid dat pas verstomt zodra een ouder voer heeft opgehoest.
Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · Isla Santa María (Floreana) (Cab. en Pto. Velasco Ibarra), San Cristobal, Islas Galápagos, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Van de witte vorm is de romp geheel wit met zwarte handpennen en een witte staart — het kenmerk dat hem meteen onderscheidt van de maskergent en de nazcagent, die allebei een zwarte staart hebben. De bruine vorm is warm chocoladebruin met een wat lichtere buik en een smal wit stuitveld; tussenvormen met een witte staart maar een bruin lijf komen ook voor. Bij alle volwassen kleurvormen vallen de koraalrode tot roze poten op, samen met een blauwgrijze snavel met een roze of blauwe basis en kale, blauwzwarte gezichtshuid rond het oog. Het silhouet is dat van een slanke, kleine gent: smallere vleugels en een lichtere bouw dan de andere Amerikaanse soorten, met een spits toelopende staart in de vlucht. Juveniele vogels zijn dof grijsbruin met grijze, ongekleurde poten, wat ze lastig onderscheidt van jonge vogels van de andere bruine gentachtigen.
Verwarringssoorten
De witte vorm wordt verward met de maskergent (Sula dactylatra) en de nazcagent (Sula granti), maar die twee hebben een zwarte staart en gele tot oranjeroze snavels, tegenover de witte staart en de blauwgrijze snavel van de roodpootgent — en ze zijn aanzienlijk groter. De bruine vorm lijkt op de bruine gent (Sula leucogaster), die een scherpe grens tussen bruine borst en witte buik heeft, maar geelachtige in plaats van rode poten en geen wit stuitveld. Jonge vogels van beide soorten lijken het meest op elkaar: dan geeft vooral de geringere grootte en de smallere vleugelvorm van de roodpootgent de doorslag.
Leefgebied
Buiten het broedseizoen brengt hij vrijwel zijn hele leven op open zee door, ver van de kust, waar hij op zicht jaagt op vliegende vissen en inktvis. Voor het broeden zoekt hij lage bomen en struiken op onbewoonde tropische eilanden: mangrove, kustbos of stevige struiken bieden de vertakkingen waarin hij zijn nest van takjes bouwt. Grond zonder opgaande begroeiing mijdt hij als broedplaats, in tegenstelling tot de andere Amerikaanse gentensoorten. Kolonies liggen vaak samen met fregatvogels en roodstaartkeerkringvogels op dezelfde eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De roodpootgent broedt rond de evenaar in alle drie de oceanen; in het gidsgebied liggen de twee bekendste kolonies op Half Moon Caye voor de kust van Belize, met enkele duizenden paren een van de grootste kolonies van de Atlantische Oceaan, en op Kilauea Point aan de noordkust van Kauaʻi, Hawaï. Buiten het broedseizoen zwerft hij ver over de tropische en subtropische zee, en verschijnt hij als zeldzame dwaalgast op de Golfstroom voor Florida en North Carolina en, na zware stormen, soms tot in de Dry Tortugas. Aantallen op de bekende kolonies lijken de laatste decennia redelijk stabiel, al ontbreekt voor de meeste eilanden een lange meetreeks.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Kilauea Point National Wildlife Refuge op Kauaʻi is de soort vanaf de wal te zien: vanaf het klifpad kijk je zo in de nesten in de kustvegetatie. Let daarbij op de pootkleur en de staart om de witte vorm meteen van de fregatvogels en keerkringvogels op dezelfde rotsen te onderscheiden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd telt de soort naar schatting enkele honderdduizenden broedparen en geldt hij als niet bedreigd (LC). Op geïsoleerde eilanden zonder roofdieren, zoals Half Moon Caye, zijn kolonies kwetsbaar voor ratten en verwilderde katten, en voor de opwarming van zeewater die zijn voedsel van vliegende vis beïnvloedt. Waar eilanden zijn beschermd, zoals bij beide genoemde kolonies, is de trend stabiel tot licht toenemend.
Wetenschappelijke naam
Sula sula | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Pelecanus Sula, bij de pelikanen; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sula werd al in 1760 ingevoerd door Brisson, met een naam die teruggaat op het Noord-Germaanse woord voor jan-van-gent, zoals het Faeröerse súla. Het soortepitheton sula herhaalt dezelfde naam. De typelocatie, aanvankelijk vaag omschreven als 'in de Indische Oceaan', werd in 1933 door Grant en Mackworth-Praed beperkt tot Barbados in de West-Indische Eilanden.


