Alle soorten › Valkachtigen › Valken en caracara's › Smelleken

Smelleken | Falco columbarius

Merlin | Esmerejón

Het smelleken is een compacte, snelle valk van de open boreale bossen en de taigarand, die kleine zangvogels vangt in korte, directe achtervolgingen vlak boven de grond. In Noord-Amerika komen drie duidelijk verschillende kleedtypen voor, van bijna zwarte vogels aan de Pacifickust tot bleke exemplaren van de noordelijke prairies.

Smelleken (Falco columbarius)
Foto: Hippophile — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het nest laat het smelleken een snelle, kekkerende reeks horen, scherper en hoger dan bij de slechtvalk. Buiten het broedseizoen is de soort grotendeels stil en verraadt hij zich eerder door zijn vlucht dan door geluid.

Luister: VluchtroepXC1175132

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · South Bozeman, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, breedborstige valk, kleiner dan de slechtvalk maar zwaarder gebouwd dan de Amerikaanse torenvalk, met een zwak afgetekende gezichtstekening zonder duidelijke snor. Mannetjes zijn leiblauwgrijs van boven, vrouwtjes en juvenielen bruiner; beide seksen hebben een dicht gestreepte onderzijde en een zwart-wit gebande staart. Drie ondersoorten variëren van bijna zwart in het noordwesten tot bleek in de prairies van het binnenland.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse torenvalk is kleiner en slanker met een duidelijke dubbele zwarte kopstreep en jaagt biddend, terwijl het smelleken in snelle, rechte vlucht laag over het terrein jaagt. De slechtvalk is groter met een brede, aaneengesloten snor en een geheel ander, ankervormig silhouet in vlucht. De Amerikaanse sperwer heeft afgeronde in plaats van puntige vleugels en een golvende in plaats van gestage vleugelslag.

Leefgebied

Als broedvogel bewoont het smelleken open naaldbos en de rand van de boreale taiga, waar hij oude nesten van kraaien of eksters overneemt. Buiten het broedseizoen trekt hij naar open grasland, kwelders en vooral de kust, waar grote groepen steltlopers en kleine zangvogels een rijk prooiaanbod bieden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt door het hele boreale Noord-Amerika, van Alaska tot Newfoundland, met een geïsoleerde populatie in de noordelijke prairies. De meeste vogels trekken in het najaar naar de zuidelijke Verenigde Staten, Mexico en Midden- en Zuid-Amerika; een klein deel van de vogels uit de prairies blijft het hele jaar in de buurt van het broedgebied. De trek is vooral langs de kustlijnen goed zichtbaar, waar het smelleken laag over het strand jaagt op doortrekkende steltlopers.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in het najaar langs een druk bezocht stuk kust of een kwelder met veel steltlopers: een plotselinge, gelijktijdige opvlucht van honderden vogels wijst vaak op een jagend smelleken, dat laag en snel tussen de groep door schiet. In de winter blijven smellekens ook in prairiesteden als Saskatoon en Edmonton, waar ze tussen de huizen jagen op mussen en pestvogels.

Staat van instandhouding

Na een dieptepunt door DDT in het midden van de twintigste eeuw is de Noord-Amerikaanse populatie sindsdien fors toegenomen en heeft de soort zijn broedgebied uitgebreid tot in voorsteden met open bomenrijen. De soort is niet bedreigd (LC); er zijn momenteel geen grote bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Falco columbarius | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco Columbarius; het geslacht is sindsdien ongewijzigd gebleven, vandaar geen haakjes om auteur en jaartal. Falco is Latijn voor 'valk'; columbarius betekent 'van duiven' en neemt Catesby's Engelse naam Pigeon Hawk over, vermoedelijk naar de gelijkenis in vlucht met een duif. Linnaeus baseerde zich op Catesby's beschrijving en afbeelding uit Carolina; de typelocatie 'Amerika' wordt daarom opgevat als South Carolina. De Nederlandse naam gaat terug op een oudere vorm smerlekîn, een verkleinwoord van het Middelnederlandse smeerle, verwant aan het Oudnoorse smyrill en, via het Oudfranse esmerillon, aan het Engelse merlin.