Alle soorten › Stormvogelachtigen › Noordelijke stormvogeltjes › Vaal stormvogeltje
Vaal stormvogeltje | Hydrobates leucorhous
Leach's Storm-Petrel | Paíño boreal
Het vaal stormvogeltje is nauwelijks groter dan een spreeuw en brengt zijn hele leven op de oceaan door, op de nachten na waarin het zijn hol op een eiland opzoekt. Boven de golven zwenkt en stuitert het als een vleermuis, met een witte stuit en een gevorkte staart als enige houvast. De grootste kolonies ter wereld liggen voor de kust van Newfoundland, en juist die zijn in enkele tientallen jaren gehalveerd.
Geluid
Op zee is de vogel vrijwel altijd stil. In de kolonie begint na zonsondergang uit de grond een aanhoudend, ritmisch snorren te komen, als van een klein motortje dat om de paar seconden hapert. Daarboven klinkt de vluchtroep: een opgewonden, lachend wik-a-wik-a-wik-a-wjieh met een gerekte uithaal aan het eind. Vrouwtjes roepen iets hoger dan mannetjes, en met wat oefening zijn de twee uit elkaar te houden. Wie midden in zo'n kolonie staat, hoort het van alle kanten tegelijk terwijl er in het donker niets te zien is.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · Country Island, Nova Scotia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een klein, roetbruin zeevogeltje met lange, hoekige vleugels die in de pols duidelijk geknikt zijn, en een gevorkte staart die in de vlucht vaak dichtgeknepen wordt gehouden. Over de bovenvleugel loopt een vaalbruine band van de pols naar de schouder, die bij goed licht opvalt tegen de donkere rest. De stuit is wit, meestal met een smalle donkere streep in het midden; bij de vogels van Zuid-Californië en Neder-Californië is de stuit juist donker. De vlucht is het beste kenmerk: onregelmatig, met diepe slagen en plotselinge zijwaartse zwenkingen, meer als een nachtzwaluw dan als een zeevogel. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, en jonge vogels zijn niet van volwassen te onderscheiden.
Verwarringssoorten
Het Wilsons stormvogeltje (Oceanites oceanicus) is kleiner en compacter, heeft een rechte staart, een brede witte stuit die tot op de onderstaartdekveren doorloopt en gele zwemvliezen die achter de staart uitsteken; het vliegt regelmatiger en blijft dichter bij het water. Het madeirastormvogeltje (Hydrobates castro) heeft een brede, scherp begrensde witte stuitband, een ondiepere vork en een gestrekte, pijlstormvogelachtige vlucht. Het zwart stormvogeltje (H. melania) van de Grote Oceaan is duidelijk groter, geheel donker en vliegt met trage, diepe slagen. Bij donkerstuitige vogels voor de kust van Californië blijven alleen de vleugelvorm en de manier van vliegen over om op af te gaan.
Leefgebied
Buiten de kolonie leeft hij boven diep water, ver van de kust, waar stromingen en fronten voedsel naar het oppervlak brengen; boven het continentaal plat en in ondiep kustwater is hij schaars. Om te broeden heeft hij een eiland nodig zonder ratten en vossen, met een losse, goed doorlatende bodem waarin een gang te graven valt: onder sparren, in graszoden op een klifhelling, of anders een spleet tussen rotsblokken. Vanaf zo'n eiland vliegen de vogels vierhonderd kilometer en meer de zee op om te foerageren. Vasteland en binnenwater gebruikt hij niet; alleen na een zware storm belandt er wel eens een landinwaarts.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt aan beide zijden van het werelddeel: in de Atlantische Oceaan van Labrador en Newfoundland via Nova Scotia en de Baai van Fundy tot Maine en Massachusetts, en in de Grote Oceaan van de Aleoeten langs Brits-Columbia, Washington, Oregon en Californië tot de eilanden voor Neder-Californië. In Groenland broedt hij niet, en op zee ten westen van Groenland wordt hij te zelden geteld om er een kaartkleur aan op te hangen. Buiten het broedseizoen trekken de vogels naar tropisch water: de Atlantische tot voor West-Afrika en Brazilië, die van de Grote Oceaan tot bij de evenaar. Ze zitten dan buiten elke kaarteenheid, en daarom houdt de kaart op bij de kolonies en de kustwateren die ze op weg daarheen passeren.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op hem vanaf het strand te zien: dit is een vogel voor een boottocht van een halve dag of meer, naar de rand van het continentaal plat. Kijk daar naar de vlucht en niet naar de kleur — een klein donker vogeltje dat in onregelmatige bochten over de golven stuitert en telkens van richting verandert, is bijna zeker deze. Aan land blijft alleen een nachtelijk bezoek aan een kolonie over, of, na een zware herfststorm, een uitgeputte vogel in een haven.
Staat van instandhouding
De soort staat sinds 2016 als kwetsbaar (VU) op de Rode Lijst: over drie generaties is de populatie met meer dan dertig procent gedaald, en waarom precies is niet duidelijk. De grote kolonies van de Noord-Atlantische Oceaan zijn ingezakt: op Baccalieu Island bij Newfoundland, met afstand de grootste kolonie ter wereld, werden in 1984 nog ruim drie miljoen broedparen geschat en in 2013 nog geen twee miljoen — ruim veertig procent minder in negenentwintig jaar. Genoemd worden meeuwen die de kolonies leegeten, kwik in het voedsel, en de verlichting van booreilanden en kustplaatsen waar jonge vogels op afkomen en uitgeput neerstorten. Dat een vogel die nog bij miljoenen voorkomt toch als kwetsbaar te boek staat, komt doordat die daling zich in het hele broedgebied tegelijk voordoet.
Wetenschappelijke naam
Hydrobates leucorhous | (Vieillot, 1818)
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Procellaria leucorhoa, bij de stormvogels; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydrobates werd in 1822 ingevoerd door Boie, uit het Griekse hudro- 'water' en batēs 'loper' — de vogel die over het water loopt. De soortnaam is gevormd uit leukos 'wit' en orrhos 'stuit'; de uitgang veranderde van leucorhoa in leucorhous toen de naam bij het mannelijke Hydrobates werd gezet, want soortnaam en geslachtsnaam horen in geslacht overeen te komen. Als typelocatie gaf Vieillot de kuststreek van Picardië in Noord-Frankrijk op. De Engelse naam eert de Britse zoöloog William Elford Leach; de naam die naar hem was gevormd, bleek later dezelfde vogel te betreffen als die van Vieillot en verviel daarmee.



