Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Noordse stormvogel
Noordse stormvogel | Fulmarus glacialis
Northern Fulmar | Fulmar boreal
De noordse stormvogel is een gedrongen, meeuwachtige zeevogel die zijn hele leven boven de koudste wateren van de Atlantische Oceaan, de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee doorbrengt, en aan land alleen komt om te broeden op een rotsrichel. Zijn stijve, weinig flexibele vleugelslag en zijn buisvormige neusgaten verraden meteen dat het geen meeuw is, ook al lijkt de kleur erop. In nog geen twee eeuwen is zijn broedgebied van een handvol kolonies in het hoge noorden uitgegroeid tot honderden plekken rond de Atlantische Oceaan.
Geluid
Bij de broedkolonie is de noordse stormvogel een luidruchtige vogel: paren op de nestrand voeren een schor, kakelend of kwakend duet, en een indringer wordt begroet met een schril ke-tsjie vlak voordat de vogel een straal stinkende maagolie afvuurt. Op open zee is hij grotendeels stil, met af en toe een kort, knorrend geluid tussen soortgenoten bij het voer. Het is dit stinkende afweermiddel, niet de zang, waarmee de soort zich onder zeevogels onderscheidt: elk kolonielid — ei, jong en volwassene — kan het inzetten.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
De lichte vorm is grijs van boven en wit van onder, met een ronde kop en een korte, dikke, sterk gehaakte snavel met opvallende buisvormige neusgaten boven op de bovensnavel. In het noorden van de Grote Oceaan komt daarnaast een donkere vorm voor, die overal effen grijs tot bijna zwart is; tussenvormen komen ook voor. Mannetje en vrouwtje zijn niet van elkaar te onderscheiden, en het jong lijkt op de lichte volwassen vogel. Het silhouet is gedrongen, met een korte nek, een groot hoofd, een breed lijf en lange, stijve vleugels. In de vlucht wisselt hij enkele snelle, stijve vleugelslagen af met lange glijfases, dwars over het golfoppervlak — heel anders dan de flexibele slag van een meeuw.
Verwarringssoorten
Meeuwen zijn de grootste verwarringsbron: de lichte vorm lijkt qua kleurpatroon op een ringsnavelmeeuw of een zilvermeeuw, maar de stijve vleugelslag, de dikke snavel met neusgatbuisjes en het ontbreken van zwarte vleugelpunten maken het verschil. Onder de pijlstormvogels is de rozevoetpijlstormvogel qua formaat het dichtst in de buurt, maar die is overal donkerder en mist de scherpe grens tussen grijze bovendelen en witte onderdelen. De grauwe pijlstormvogel is eveneens donkerder en slanker gebouwd, met langere, smallere vleugels en een duidelijk andere vliegstijl. De donkere vorm van de noordse stormvogel zelf wordt het vaakst met deze laatste twee pijlstormvogels verward.
Leefgebied
De noordse stormvogel leeft op open, koud water boven de continentale plaat en bij opwellingsgebieden, tot aan de rand van het pakijs in de Noordelijke IJszee. Voor het broeden zoekt hij steile zeekliffen en rotsrichels, vaak in kolonies van honderden tot duizenden paren, waar hij op een kale rots of in een ondiepe kuil één ei legt. Ondiep water en de kust zelf mijdt hij grotendeels; hij is een vogel van de oceaan, niet van het strand. Vissersschepen en walvissen trekken hem aan, omdat hij graag opduikt bij afval en karkassen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort broedt in het hoge noorden van Canada, op Groenland, en op de Aleoeten en andere eilanden in de Beringzee bij Alaska; ook bij Newfoundland, op Baccalieu-eiland, is een kolonie ontstaan. Na het broedseizoen verspreidt hij zich zuidwaarts over open zee, aan de kant van de Grote Oceaan tot in de wateren van Washington, Oregon en Californië, aan de Atlantische kant tot voor Nieuw-Engeland en soms tot North Carolina. In nog geen twee eeuwen tijd is de Atlantische populatie enorm gegroeid en het broedgebied sterk uitgebreid — begin negentiende eeuw broedde hij in de Noord-Atlantische Oceaan vrijwel alleen op IJsland, terwijl er nu honderden kolonies rond die oceaan zijn. Vissersafval en karkassen van walvisvaart worden vaak als verklaring genoemd, al is niet alles daarin zeker.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek de noordse stormvogel vanaf een kaap of pier na een stevige storm, wanneer vogels van open zee dichter onder de kust worden gedrukt; ook boottochten in de winter boven dieper water leveren goede kansen. Let op de stijve, korte vleugelslag tussen de glijfases: dat onderscheidt hem al van ver van elke meeuw.
Staat van instandhouding
Met een populatie van vele miljoenen vogels en een sterke, nog altijd voortdurende toename in het Atlantische deel van het areaal geldt de soort als niet bedreigd. Bijvangst in de langlijnvisserij en verstoring van broedkolonies zijn de belangrijkste risico's die aan de soort verbonden blijven. In delen van de Grote Oceaan zijn de aantallen minder goed bekend dan in de Atlantische Oceaan.
Wetenschappelijke naam
Fulmarus glacialis | (Linnaeus, 1761)
Linnaeus beschreef de soort in 1761 als Procellaria glacialis, bij de toenmalige stormvogels in brede zin; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fulmarus werd in 1826 ingevoerd door Stephens; de naam gaat mogelijk terug op een Oudnoords woord voor 'vuile meeuw', naar de stinkende maagolie waarmee de vogel zich verdedigt. De soortnaam glacialis is Latijn voor 'ijzig' of 'van het ijs', en verwijst naar zijn leefgebied in en rond de poolstreek — de typelocatie ligt dan ook binnen de poolcirkel.


