Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Witbandsijs
Witbandsijs | Spinus psaltria
Lesser Goldfinch | Jilguero menor
De witbandsijs is de kleinste sijs van Noord-Amerika: nog geen elf centimeter, met gele onderdelen en een witte vlek in de zwarte vleugel. Hij bewoont open terrein met struiken en bomen van het zuidwesten van de Verenigde Staten tot in Zuid-Amerika, en is in veel westerse steden een vaste tuinvogel geworden.
Geluid
De vluchtroep is een hard, herhaald tsjig-tsjig-tsjig, en daarnaast klinkt een hoog, langgerekt fluitje dat van de ene toonhoogte naar een hogere glijdt — dat tweetonige fluitje is het handigste kenmerk op afstand. De zang is een lang, doorlopend gekwetter, duidelijker in frasen verdeeld dan die van de goudsijs, en bevat vaak nagebootste notities van andere soorten. Een zingend mannetje houdt het minutenlang vol vanaf een blootliggende tak.
Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · Distrito Metropolitano de Quito, Pichincha, Parroquia Nanegalito, Nueva Granada, Hacienda Los Yumbos, Ecuador · xeno-canto
Herkenning
Klein, met een korte kegelvormige snavel en een korte gevorkte staart. Het mannetje is helder citroengeel van onderen; de bovendelen zijn olijfgroen bij de westelijke vogels en glanzend zwart bij de vogels ten oosten van de Rocky Mountains en zuidelijker. De zwarte vleugel toont een scherp afgetekende witte rechthoek aan de basis van de handpennen, en de zwarte staart heeft witte hoeken. Het vrouwtje is olijfgroen van boven, dofgeel van onderen, met twee witachtige vleugelstrepen en dezelfde witte vleugelvlek in klein formaat.
Verwarringssoorten
De goudsijs is groter, heeft in broedkleed een zwart voorhoofd en een oranje snavel, en mist de witte rechthoek in de handpennen; in winterkleed is hij effen grijsbruin met een bleke stuit, terwijl de witbandsijs altijd olijfgroen blijft. De maskergeelvink is grijs van kop en romp met alleen geel op de borst, en het mannetje heeft een zwart masker. De dennensijs is over de hele onderkant gestreept. De witte vleugelvlek van de witbandsijs is bij alle kleden zichtbaar en is het snelste onderscheid.
Leefgebied
Open eikenland, struweel, chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat), oeverbos langs beken en de randen van akkerland, van zeeniveau tot ruim tweeduizend meter. Dicht gesloten bos mijdt hij. Hij eet zaad van composieten en andere kruiden, knoppen en zaad van els en berk, en komt in tuinen en parken op nigerzaad en zonnebloempitten af. Water is een vaste factor: groepen komen dagelijks naar een drinkplaats.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal loopt van Zuidwest-Washington en Oregon door Californië, het Grote Bekken en het zuidwesten van de Verenigde Staten, door heel Mexico en Midden-Amerika tot Venezuela en Peru. In het grootste deel daarvan is hij standvogel; alleen aan de noordelijke en oostelijke rand van het areaal — Washington, Idaho, Colorado, Nebraska, Kansas en Oklahoma — is hij een broedvogel die in de winter verdwijnt. In het Amerikaanse noordwesten heeft hij zijn areaal in de laatste decennia snel noordwaarts uitgebreid, waarschijnlijk mede door voedertafels en beplanting in de steden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Let op het tweetonige fluitje: één toon aangehouden, dan een sprong omhoog. Zoek hem aan de rand van een parkeerplaats of een droge helling waar distels en zonnebloemen in zaad staan, en kijk naar de witte vlek in de vleugel — die is ook te zien als de vogel met de rug naar je toe zit, waar de kleur van de rug niet helpt.
Staat van instandhouding
De soort is talrijk en geldt als niet bedreigd (LC); de aantallen zijn in het grootste deel van het areaal stabiel of nemen toe; in de noordwestelijke Verenigde Staten breidt hij uit. Lokaal gaat hij achteruit, onder meer in de Andesuitlopers van Ecuador. De grootschalige omzetting van struweel naar bebouwing vermindert het broedgebied, terwijl tuinen met voederplaatsen en water juist nieuw leefgebied opleveren. Verzamelen voor de kooivogelhandel speelt in delen van Midden-Amerika nog een rol.
Wetenschappelijke naam
Spinus psaltria | (Say, 1822)
Thomas Say beschreef de soort in 1822 als Fringilla psaltria, naar een exemplaar van de Arkansas River bij de bergen, in de buurt van het huidige Colorado Springs; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus gaat terug op het Griekse spinos, een antieke naam voor een kleine vink. De soortnaam psaltria is Grieks voor 'harpspeelster', naar het aanhoudende gekwetter. De Nederlandse naam verwijst naar de witte vleugelvlek, de Engelse naam Lesser Goldfinch naar het formaat ten opzichte van de goudsijs.





