Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Maskergeelvink
Maskergeelvink | Spinus lawrencei
Lawrence's Goldfinch | Jilguero de Lawrence
De maskergeelvink is een grijze sijs met een geel borstschild en, bij het mannetje, een zwart masker rond snavel en voorhoofd. Hij broedt vrijwel alleen in Californië en Noord-Baja California en verplaatst zich daarbinnen van jaar tot jaar, achter regen, zaaddragende kruiden en drinkwater aan.
Geluid
De vluchtroep is een helder, klokkend tinkl-oe of ti-toe, met een metaalachtige klank die aan een glazen windgong doet denken — het meest bruikbare kenmerk van de soort, want vaak hoor je een groep overvliegen zonder hem te zien. De zang is een hoge, doorlopende reeks piepjes en trillers waarin nagebootste notities van andere soorten zijn opgenomen: fragmenten van fluiters, mezen en gorzen volgen elkaar zonder pauze op.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het lichaam is effen asgrijs, met een gele borst en gele buik en een gele stuit. De vleugel is zwart met brede gele vlakken op de dekveren en de basis van de handpennen. Het mannetje heeft een zwart masker dat kin, snavelbasis en voorhoofd bedekt en scherp tegen het grijs afsteekt. Het vrouwtje is bruiner grijs, heeft geen zwart in het gezicht en aanzienlijk minder geel. De snavel is kort, dik en bleek hoornkleurig.
Verwarringssoorten
De witbandsijs heeft groene of zwarte bovendelen en gele, nooit grijze flanken, en toont een witte in plaats van een gele vleugelvlek. De goudsijs is in broedkleed volledig geel met een zwart voorhoofd, en in winterkleed bruin met een bleke stuit, maar nooit asgrijs. Bij vrouwtjes beslist het patroon van de vleugel: geel op de dekveren en bij de handpenbasis wijst op de maskergeelvink, wit op de witbandsijs. Ook de klokkende roep is bij beide geslachten anders dan het harde gekwetter van de andere sijzen.
Leefgebied
Open eikenland en dennen-eikenbos met open plekken, grenzend aan struweel of velden met hoge eenjarige kruiden, meestal binnen een kilometer van open water. Het nest staat in een eik of in een klomp maretak. In de trektijd en de winter zit hij in kustsstruweel, in woestijnarroyo's met mesquite en in akkerbouwgebied. De binding aan drinkwater is sterk: groepen komen dagelijks naar een poel of beek.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in de kustbergen en de uitlopers van de Sierra Nevada in Californië en loopt door tot in Noord-Baja California. Waar hij in een bepaald jaar broedt, hangt af van de neerslag: in droge jaren verschuift hij naar de kust en hoger de Sierra in, in natte jaren naar de Central Valley. In de winter trekt een deel van de populatie oostwaarts naar Arizona, Zuid-New Mexico, West-Texas en Noord-Sonora, maar de aantallen daar verschillen sterk per jaar — in sommige winters ontbreekt hij er vrijwel geheel.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in april en mei bij een drinkplaats in open eikenland in de Californische kustbergen: rond het middaguur komen groepen naar het water. Leer eerst de klokkende ti-toe; die draagt ver en verraadt overvliegende groepen die verder niet opvallen. Bij een zingende vogel: let erop dat andere soorten in de zang zitten en laat je daardoor niet op een dwaalspoor brengen.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 380.000 broedvogels. De soort scoort 15 van 20 op de continentale zorgscore en staat op de gele waarnemingslijst voor soorten met een beperkt areaal: het hele broedgebied past in twee staten. De aantallen schommelen sterk met de regenval, wat een trend moeilijk vaststelbaar maakt. Knelpunten zijn omzetting van eikenland naar bebouwing en wijngaard, overbegrazing van de kruidlaag en de verdringing van inheemse zaadplanten door uitheems gras.
Wetenschappelijke naam
Spinus lawrencei | (Cassin, 1850)
John Cassin beschreef de soort in 1850 als Carduelis Lawrencei, naar materiaal uit Sonoma en San Diego in Californië; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert George Newbold Lawrence (1806–1895), een New Yorkse koopman en ornitholoog die een groot deel van de Noord-Amerikaanse vogels van de spoorweg-expedities beschreef. Het geslacht Spinus gaat terug op het Griekse spinos, een antieke naam voor een kleine vink. De Nederlandse naam verwijst naar het zwarte masker van het mannetje.




