Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Lachmeeuw

Lachmeeuw | Leucophaeus atricilla

Laughing Gull | Gaviota guanaguanare | Aztekenmöwe | שחף צוחק | Mouette atricille

De meeuw van de Noord-Amerikaanse oostkust, langgerekt van lijn en met een snavel die eerder aan een stern doet denken. In Europa arriveert hij vrijwel altijd na een storm; de naam verwijst naar de lange roep, een reeks schaterende ha-ha-ha-noten.

Lachmeeuw (Leucophaeus atricilla)
Hoofdfoto · Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De lange roep is een reeks luide, nasale, gierende noten die als een schaterlach klinkt: ha-ha-ha-haah-haah, met een dalende toon aan het eind. Daarnaast een kort, kraaiachtig kaa. Het is de meest kenmerkende meeuwenstem van de Noord-Amerikaanse oostkust en op een Europese pier direct verdacht.

Luister: RoepWikimedia Commons

Opname: Tony Phillips — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Grotere en langere kapmeeuw dan Franklins meeuw, met een lange, zware snavel die naar de punt toe iets doorbuigt. De adulte zomervogel heeft een donker leigrijze mantel, een zwarte kap tot in de nek, smalle witte oogleden en een dieprode snavel; de poten zijn roodzwart tot zwart. De vleugelpunt is egaal zwart en loopt zonder witte scheiding uit het grijs van de vleugel, met hooguit een paar kleine witte toppen. In winterkleed vervaagt de kap tot een grijze waas over kruin en oorstreek. Eerstejaars vogels zijn grauwbruin op borst en flanken, met een grijze kop en nek, een brede zwarte staartband en donkere handpennen; volwassen kleed wordt in drie jaar bereikt.

Verwarrings­soorten

De vergelijking die telt is die met Franklins meeuw, en drie punten volstaan. Formaat: de lachmeeuw is duidelijk groter en langer van lijn, met een langere hals en langere poten, en oogt naast Franklins meeuw slungelig in plaats van gedrongen. Snavellengte: de lachmeeuw heeft een lange, zware snavel die aan de punt neerwaarts buigt, tegen het korte, rechte snaveltje van Franklins meeuw. En het beslissende kenmerk in vlucht: bij de lachmeeuw loopt het grijs van de vleugel zonder onderbreking over in het zwart van de punt, terwijl Franklins meeuw daar een duidelijke witte scheidingsband draagt. Verder houdt de lachmeeuw in de winter maar een vage grijze waas over de kruin, waar Franklins meeuw een fors half masker bewaart, en zijn de witte oogleden bij de lachmeeuw smal in plaats van breed en vlezig. Tegenover de kokmeeuw is de zaak eenvoudig: veel donkerder mantel, zwarte in plaats van witte voorrand van de vleugel en een zwaardere snavel.

Meeuwen vergelijken: poten, kop, snavel en vleugelpunt naast elkaar

Leefgebied

Strikt kustgebonden: slikplaten en geulen van estuaria, zandstranden en strandhaken, havenkommen, pieren en visafslagen. Landinwaarts komt de soort nauwelijks, al duiken stormvogels wel eens op spaarbekkens en havenplassen op. Broedt in kolonies, soms van vele duizenden paren, op lage kusteilanden en in kwelders langs de Atlantische kust en in het Caribisch gebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de Atlantische kust van Noord-Amerika, het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika, met noordelijke vogels die naar het zuiden opschuiven. De Europese gevallen hangen sterk samen met het weer: het najaar van 2005 leverde na een reeks Atlantische depressies in het kielzog van orkaan Wilma een ongekende aankomst op de Britse Eilanden op, met vogels verspreid van Cornwall tot de Northern Isles. Het westen en zuidwesten van de Britse Eilanden nemen in een normaal jaar het gros van de gevallen voor hun rekening. Verder zuidelijk verdelen de gevallen zich tussen de Canarische Eilanden en de Atlantische kust van Iberië, en verschillende ervan vallen samen met de doortocht van tot depressie verzwakte tropische cyclonen.

Hoe en wanneer kijken

Werk in oktober en november na een westerstorm de havenkommen, pierhoofden en strandhaken af, en zoek een kapmeeuw met een te donkere mantel en een te lange snavel. Let bij twijfel op de vleugelpunt in vlucht: zwart dat zonder witte streep uit het grijs komt, is de lachmeeuw. Neem de tijd voor de roep, want die alleen al is genoeg om de vogel op naam te brengen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een grote en over het geheel stabiele wereldpopulatie. Regionaal spelen wel problemen: overstroming van laaggelegen broedeilanden bij storm en zeespiegelstijging, verstoring van kolonies door recreatie, en concurrentie en predatie door grotere meeuwen. Aan de kust van de Golf van Mexico hebben olierampen kolonies plaatselijk hard geraakt.

Wetenschappelijke naam

Leucophaeus atricilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus atricilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leucophaeus werd in 1855 ingevoerd door Bruch. Leucophaeus is Grieks, van leukos 'wit' en phaios 'donkergrijs'. atricilla verbindt het Latijnse ater 'zwart' met het Neolatijnse cilla 'staart', naar de zwarte staart van jonge vogels; mogelijk bedoelde Linnaeus atricapilla 'zwartkoppig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Bahama's.