Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kleine kokmeeuw
Kleine kokmeeuw | Chroicocephalus philadelphia
Bonaparte's gull | Gaviota de Bonaparte
De Amerikaanse tegenhanger van de kokmeeuw, kleiner en fijner gebouwd, met een zwart snaveltje en een lichte ondervleugel. In Nederland een echte beoordeelsoort met een handvol aanvaarde gevallen; in Spanje een incidentele dwaalgast langs de Atlantische kust; in Noordwest-Europa als geheel een regelmatige maar altijd opwindende dwaalgast, vrijwel steeds tussen kokmeeuwen gevonden.
Geluid
Zelden te horen bij ons. De roep is een schor, nasaal tsjeer of kèk, hoger en raspender dan het gekrijs van een kokmeeuw en meer aan een stern doen denkend. Groepjes in de winter roepen zacht en snel door elkaar, wat vaak eerder opvalt dan het geluid van één vogel.
Opname: Tony Phillips — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Een kleine, slanke meeuw met smalle, spitse vleugels en een dun zwart snaveltje. In zomerkleed een leigrijze tot zwarte kap met scherpe witte ooglidsikkels en rode poten; in winterkleed een witte kop met een scherp afgetekende zwarte oorvlek en vleeskleurige poten. De mantel is iets donkerder grijs dan bij de kokmeeuw. Van boven een witte handwig met een smalle, scherp begrensde zwarte achterrand; van onderen zijn de handpennen wit en doorschijnend. Eerstejaars vogels hebben een donkere band over de bovenvleugel, een zwarte staartband en dezelfde oorvlek.
Verwarringssoorten
Kokmeeuw en dwergmeeuw zijn de twee die je moet uitsluiten. Het formaat is de eerste hint: de kleine kokmeeuw is duidelijk kleiner en fijner dan de kokmeeuw en beweegt sterniger. De snavel is zwart in plaats van rood, ook in de winter, en veel dunner. Van boven tonen kokmeeuw en kleine kokmeeuw allebei een witte driehoek in de handpen, maar bij de kleine kokmeeuw is de zwarte achterrand daarvan smal en scherp. De ondervleugel beslist: bij de kokmeeuw zijn de handpennen van onderen donker en rokerig, bij de dwergmeeuw is de hele ondervleugel roetzwart, en bij de kleine kokmeeuw zijn ze wit en licht doorschijnend.
Leefgebied
In Europa langs de kust: havenmonden, spuikommen, strekdammen en riviermondingen, en verder op grote binnenmeren en spaarbekkens, doorgaans tussen kokmeeuwen. In het broedgebied een vogel van de boreale naaldbossen, waar hij als enige meeuw zijn nest in sparren en lariksen bouwt, vlak bij of boven het water van bosvennen en veenpoelen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in het noorden van Noord-Amerika, van Alaska tot de James Bay, en overwintert langs de kusten van de Verenigde Staten, Mexico en het Caribisch gebied. In Europa een regelmatige dwaalgast, met ongeveer vier van de vijf gevallen op de Britse Eilanden, het hele jaar door, en sommige vogels keren jaren achtereen naar dezelfde plek terug. Op het vasteland dun verspreid langs de Atlantische en de Noordzeekust, in Iberië vooral aan de Atlantische kant.
Hoe en wanneer kijken
Zoek langs de Atlantische en de Noordzeekust waar kokmeeuwen zich in de winter verzamelen: sluizen, havens, vissershavens, riviermondingen en de branding bij een spuikom. Werk een groep systematisch af en let op het formaat en op het zwarte snaveltje; laat de vogel daarna opvliegen of wacht tot hij draait, zodat je de lichte ondervleugel kunt bevestigen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een grote en stabiele populatie in het boreale bos van Canada en Alaska. Voor Europa gaat het om zwervers, waarvan het aantal per jaar sterk wisselt en waarschijnlijk vooral samenhangt met het aantal waarnemers en met najaarsstormen boven de Atlantische Oceaan. Verlies van boreaal bos en verandering van het waterregime in het broedgebied zijn de risico's op langere termijn.
Wetenschappelijke naam
Chroicocephalus philadelphia | (Ord, 1815)
Ord beschreef de soort in 1815 als Sterna philadelphia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chroicocephalus werd in 1836 ingevoerd door Eyton. Chroicocephalus verbindt het Oudgriekse khroikos 'gekleurd' met -kephalos '-koppig'. philadelphia is een gelatiniseerd bijvoeglijk naamwoord 'uit Philadelphia', naar de plaats waar het typemateriaal werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Philadelphia in Pennsylvania.



