Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Woestijnplevier

Woestijnplevier | Anarhynchus leschenaultii

Greater Sand-Plover | Chorlitejo mongol grande | Wüstenregenpfeifer | חופמי חוף | Pluvier de Leschenault

De grootste en zwaarstgesnavelde van de zandplevieren, en de enige uit die groep die met enige regelmaat op Noordwest-Europese wadplaten opduikt.

Woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii)
Hoofdfoto · Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een zacht, rollend tprrr of drrrit, meestal in vlucht en een stuk droger en lager dan het heldere toe-iet van de bontbekplevier. Bij verstoring op een hoogwatervluchtplaats klinkt een kort, hard tik. Dwaalgasten worden vaker op het geluid opgemerkt dan verwacht, omdat ze bij het opvliegen met bonte strandlopers meegaan.

Luister: VluchtroepXC1069405

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een forse, langpotige plevier met een zware, rechte, zwarte snavel die aan het einde stomp verdikt is en duidelijk langer is dan de afstand van de snavelbasis tot de achterrand van het oog. Het voorhoofd loopt vlak af en de kruin is plat, waardoor de kop hoekig en voorzwaar oogt. In prachtkleed een smalle roestrode borstband zonder zwarte onderrand, een zwart masker over oog en oorstreek, een rossige kruin en een klein wit voorhoofdsvlekje. In winter- en jeugdkleed grijsbruin met een onderbroken bruine borstzijvlek. Poten lang en vaalgroen tot grijsgroen. In vlucht een brede witte vleugelstreep over hand- en armpennen, witte staartzijden, witte oksels en een lichte ondervleugel; tenen en een stukje loopbeen steken voorbij de staart.

Verwarrings­soorten

Het hoofdprobleem is de mongoolse plevier, tegenwoordig gesplitst in siberische en tibetaanse plevier. Die zijn kleiner, hebben een kortere en fijnere snavel die ongeveer even lang is als de afstand van snavelbasis tot achterrand oog, een rondere kopvorm met steiler voorhoofd, kortere en donkerder grijze poten, en in prachtkleed een bredere roestrode borstband die vaak een zwarte bovenrand heeft. In vlucht steken bij de mongoolse plevier alleen de tenen voorbij de staart, bij de woestijnplevier ook een stuk loopbeen. Kaspische plevier en steppeplevier zijn slanker en langpotiger, hebben een dun snaveltje zonder verdikte punt en geel- tot okerkleurige poten, en missen de brede witte vleugelstreep; de steppeplevier heeft bovendien een donkerbruine ondervleugel, waar de woestijnplevier witte oksels toont. Snavellengte, pootkleur en kopvorm zijn alleen betrouwbaar bij een goed geziene, rustende vogel op korte afstand met neutraal licht; op een wadplaat in tegenlicht blijven alleen de algemene grootte, de rechtopstaande houding en de tenenprojectie in vlucht over.

Leefgebied

Broedt op droge, kale hoogsteppe, zoutvlakten en kiezelwoestijn van Anatolië en de Kaukasus tot Centraal-Azië, vaak rond zoutmeren. Buiten de broedtijd is het een uitgesproken kustvogel: slikplaten, zandstranden, koraalplaten en getijdengeulen van Oost-Afrika tot Australië, waar hij op zicht jaagt op krabbetjes en wormen. In Europa verschijnen dwaalgasten op wadplaten, kwelders en zandstranden, meestal tussen bontbekplevieren en steenlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Centraal-Anatolië, Transkaukasië en de steppen en woestijnen van Centraal-Azië tot het Mongoolse plateau; overwintert langs de kusten van Oost-Afrika, Arabië, Zuid-Azië en Australië. Naar Noordwest-Europa is het een zeldzame maar toenemende dwaalgast, meestal in de nazomer en in mindere mate in het voorjaar, met Texel en het Deltagebied als vaste plekken.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in de laatste week van juli of in augustus naar een hoogwatervluchtplaats op de Wadden of in de Delta en scan de groepen bontbekplevieren en steenlopers rond het opkomende tij. Zoek een plevier die net te groot is, te hoog op de poten staat en een te zware snavel heeft, en fotografeer eerst het snavelprofiel voordat de groep weer opvliegt. Wie de soort in prachtkleed wil zien, gaat begin mei naar de zoutvlakten bij het Tuz Gölü in Centraal-Anatolië.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de overwinteringsgebieden in de Gele Zee en langs de Aziatische kusten verdwijnen door landaanwinning, en op de Anatolische en Centraal-Aziatische broedgronden drogen zoutmeren op door onttrekking van water voor irrigatie. Voor Europa is de soort vooral een graadmeter: het aantal gevallen neemt toe, wat eerder met betere waarneemintensiteit dan met een grotere populatie te maken heeft. Alle betrokken plevieren, van de woestijn- tot de kaspische en de steppeplevier, worden sinds 2023 in het geslacht Anarhynchus geplaatst in plaats van in Charadrius; oudere gidsen voeren deze soort nog als Charadrius leschenaultii.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus leschenaultii | (Lesson, 1826) (GBIF: Charadrius leschenaultii)

Lesson beschreef de soort in 1826 als Charadrius leschenaultii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. leschenaultii eert de Franse plant- en vogelkundige Jean-Baptiste Leschenault de La Tour (1773–1826), die op Java en in India verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pondicherry in India.